is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de leeningsschuld voortdurend hooger was dan de bouwwaarde van het spoorwegnet.

Van 1892 tot 1904 wisselden overschotten en tekorten elkander af. Eerst daarna kregen de overschotten de overhand, zoodat in 190S het evenwicht tusschen bouwwaarde en schuld was bereikt, en de eigenlijke amortisatie een aanvang kon nemen.

Het is zeker twijfelachtig, of onder die omstandigheden het bedrijf zich van den aanvang af de noodige fondsen tot de volle behoefte door leening, en wel tot den aangenomen rentevoet, zou hebben kunnen verschaffen. Aan dat bezwaar zou echter zijn tegemoetgekomen, indien het Gouvernement aanvankelijk de leeningen van het Bedrijf had gegarandeerd of bij wijze van rentegevend voorschot daaraan eenig werkkapitaal had verschaft, terug te betalen nadat de periode van overschotten zou zijn ingetreden. Om de schuld niet boven de aanlegwaarde te doen stijgen, zou dat voorschot zelfs niet hooger dan ± ƒ 4 a 5 millioen behoeven té zijn geweest en het zou aan het einde der periode reeds weder geheel kunnen zijn terugbetaald.

Wel ware deze handelwijze in strijd geweest met het denkbeeld eener volstrekte onzijdigheid van het Gouvernement tegenover het Bedrijf, maar de uitkomst toont, dat noch de garantie noch het voorschot de schatkist ten slotte met een penning zouden hebben bezwaard, zoodat de conclusie daardoor niet wordt aangetast.

Een tweede objectie is, dat de exploitatierekening der SS. niet belast is met een bijdrage voor de door het Gouvernement te maken kosten voor de pensioenen van het personeel e. a. Dit wordt echter ongetwijfeld ruimschoots opgewogen door de belangrijke aan het Gouvernement zonder vergoeding bewezen diensten (kosteloos vervoer van brieven en van verschillende categorieën van ambtenaren).

Men kan ook de bemerking maken, dat te gunstige voorstelling is gegeven, doordat ih de tot nu toe bij de Staatsspoorwegen gevoerde boekhouding slechts de aanvankelijk betrekkelijk lage vernieuwingskosten, alsmede afschrijving van werkelijk teniet gegane activa, ten laste van de exploitatie-rekening worden gebracht, in plaats van eene algemeene afschrijving op de activa, die aan waardevermindering door slijtage e. a. blootstaan, welke afschrijving in deze periode ongetwijfeld een hooger bedrag zou hebben beloopen dan de kosten van vernieuwing zei ven.

Ofschoon zich de tot nu toe gevolgde gedragslijn op verschillende gronden wel laat verdedigen, *) zoo is die gedragslijn toch niet vrij te pleiten van een gemis aan voorzorg voor de toekomst en moet dan ook daarmede in elk geval rekening worden gehouden wanneer de uitkomsten van het verleden als maatstaf worden gebezigd voor de raming van toekomstige resultaten.

*) 0.a. met een beroep op de Staatscommissie voor de Spoorwegen in Nederland (ingesteld btj Koninklijk Besluit van 8 Sept, 1908 No. 25). Blijkens haar verslag (blz. 64 2de lid) is deze commissie nl. van oordeel dat het achterwege laten van afschrijvingen als bovenbedoeld wel te verdedigen is voor een bedrijf, „waaromtrent men kan aannemen, dat het steeds winstgevender „wordt, zoodat de rente der steeds wassende schuld uit de exploitatiewinst kan worden betaald". Valt hieraan, zooals de commissie opmerkt, voor de spoorwegen in Nederland nief te denken, voor de Staatsspoorwegen in Indiö mocht gedurende de periode in beschouwing eene belangrijke en langdurige toeneming van de winst, ongerekend onvermijdelijke schommelingen, om tal van redenen als bjjna wiskunstig zeker worden beschouwd.