is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menten, op blz. 35 uit de over 1875—1912 verkregen resultaten afgeleid, als grondslag voor die schatting kan dienen, moet men het verleden en de toekomst vergelijken uit het oogpunt van:

a de aanlegkosten

b. de bruto-inkomsten

c. de exploitatiekosten,

welke vergelijking echter uit den aard der zaak in hoofdzaak tot het Javanet beperkt moet blijven.

ad a. Er bestaat n. h. v. geen aanleiding tot de onderstelling, dat de aanlegkosten per K.M in het vervolg hooger of lager zullen zijn dan in het afgeloopen tijdperk. Dat overwegend goedkoope vlaktelijnen zullen worden gebouwd is evenmin aan te nemen als het omgekeerde; ook niet dat dezelfde werkzaamheden en aanschaffingen in het vervolg belangrijk goedkooper of duurder dan vroeger zullen zijn. Wel is misschien eenige daling van de kosten van aanschaffing en aanvoer der materialen en van die van algemeene leiding en beheer te wachten, maar daartegenover staat vermoedelijk een hoogere loonstandaard en wellicht eenige stijging van de eischen aan weg, werken en materieel te stellen. Het verschil zal dan ook vermoedelijk betrekkelijk gering zijn en is niet te becijferen, waarom het dan ook buiten beschouwing zal worden gelaten.

ad 6. Eene verhooging van de bruto-inkomsten per K.M. — dus ook in percenten van het bestaande kapitaal — is onder overigens gelijke omstandigheden, wel waarschijnlijk. Vooreerst heeft de algemeene ontwikkeling en welvaart, de groot-cultuur en daarmede samenhangende nijverheid en dientengevolge de verkeersbehoefte een veel hooger peil bereikt dan 35 a 40 jaar geleden. De bevolkingsdichtheid is ongeveer verdubbeld, de inlandsche bevolking heeft geleerd zich veelvuldig en over dikwijls aanzienlijke afstanden te verplaatsen. Ook al neemt men in aanmerking, dat deze gunstige faktoren zich minder sterk hebben doen gevoelen in die streken, welke nog door spoorwegaanleg moeten worden ontsloten, zij zijn toch ook daar zeker niet zonder invloed gebleven; bovendien»zal een deel van het nieuwe kapitaal juist besteed worden aan zijtakken in landstreken, die reeds tot groote ontwikkeling zijn gekomen.

Verder geeft elke lijn, die thans gebouwd zal worden, aansluiting aan een reeds bestaand eri uitgebreid net, zij deelt dus aanstonds in het daarop reeds ontstane verkeer en schept veel verder gaande vervoersmogelijkheden en vervoersfaciliteiten, dan in vroegeren tijd een nieuwe lijn kon aanbieden.

Wat de Westerlijnen betreft is voorts het rendement tot voor weinige jaren sterk gedrukt door de omstandigheid, dat de „tête de ligne", de open afvoerlijn naar de groote haven van Priok, in handen was van een particuliere maatschappij, die langen tijd de vruchten plukte van het verkeer op het achter die lijn groeiende Staatsspoorwegnet.

Mag op grond van een en ander voor nieuwe lijnen op Java hoogere bruto-opbrengst worden verwacht, vooral in de eerste tien a twintig jaren na de opening van het verkeer, die verhooging ontsnapt echter aan elke becijfering en het schijnt daarom geraden, bij de raming der toekomstige opbrengsten ook daarmede geen rekening te houden.