is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit blijkt:

dat gedurende 25 jaren onafgebroken veel meer is uitgegeven dan ontvangen ;

dat eerst in de laatste 8 jaren der periode in beschouwing de ontvangsten geregeld de uitgaven hebben overschreden,

en dat ten laste van het algemeen budget meer is uitgegeven dan ontvangen een totaal bedrag van ƒ 72.983.008,— d.i. ruim ƒ 1.650.000,— 'sjaars, zonder bijberekening van renten

De Staatsspoorwegen hebben derhalve van 1874—1912 niet alleen rechtstreeks niet bijgedragen tot versterking van het budget, maar in tegendeel daarop zware lasten gelegd. Waren de financiën van het spoorwegbedrijf van den aanvang af van de algemeene financiën gescheiden gehouden, dan zou het algemeene budget met gelijke bedragen zijn ontlast.

Men mag op grond hiervan zeggen, dat gedurende de periode 1874—1912 als één geheel beschouwd ten aanzien van de spoorwegen eene ruimhartige politiek is gevoerd, welke zich niet zoozeer het behalen van rechtstreeksche voordeelen uit de spoorwegopbrengsten ten doel heeft gesteld, als wel bevordering van de economische ontwikkeling, ontsluiting van slecht toegankelijke streken en alle andere indirecte voordeelen, welke in zoo ruime mate uit den aanleg en de exploitatie van een zich aan de behoeften aanpassend spoor- en tramwegnet voortvloeien.

In den loop der beschouwde periode heeft zich echter het beeld merkbaar gewijzigd.

Waren van 1874 tot 1898 onafgebroken slechts deficitten ten laste van de begrooting te boeken, sedert laatstgenoemd jaar leverden de spoorwegen in den regel, sedert 1905 zelfs onafgebroken, vrij belangrijke overschotten, welke aan het algemeen budget ten goede zijn gekomen.

Deze overschotten danken hun ontstaan eenerzij ds aan de voortdurende stijging der netto opbrengsten, welke zich in de laatste jaren ver boven de geleidelijke toeneming van vroegere jaren verheft, anderzijds aan het betrekkelijk geringe bedrag, dat na 1905 aan nieuwen aanleg en uitbreiding werd besteed.

Kan de toeneming van de netto-opbrengsten als een natuurlijk gevolg van de algemeene opleving van Java na de jaren van inzinking worden beschouwd, de vermindering van de aan den aanleg bestede bedragen wijst op eene verslapping van het zoo lang volgehouden deugdelijke beginsel, om voor den aanleg van spoorwegen met ruime hand de noodige middelen beschikbaar te stellen *).

Deze verslapping, die zich uit de toenmalige pessimistische opvattingen omtrent den algemeenen financieelen toestand der Kolonie wel niet rechtvaardigen maar toch verklaren laat, is echter slechts van korten duur geweest; niet alleen is de aanleg op Java met vernieuwde kracht ter hand genomen, maar ook met dien in Zuid-Sumatra een begin gemaakt, terwijl

•) Teekenend is in dit opzicht de ministerieele depêche van 3 Augustus 1898 litt. A3. No. 15/2180 (vgl. Rapport nopens den aanleg van Staatsspoorwegen in Zuid-Sumatra, Deel I blz. 15), waarbij de slechte toestand der Indische financien een beletsel wordt genoemd om met de allereerste voorbereiding (voorloopige terreinverkenning) voor den spoorwegaanleg in Zuid-Sumatra een aanvang te maken. Eveneens dat in 1906 na voltooiing van de Ujn Padalarang—Krawang op Java de werkzaamheden voor den aanleg nagenoeg stop werden gezet en zelfs aan het personeel bij dien diensttak een collectief ontslag werd aangezegd, voor zoover het b. den exploitatiedienst geen bestemming zou kunnen vinden