is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de kolonie Suriname

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een voorstel te doen om op andere wijze den landbouw te helpen. Het komt er op aan, dat de bacoven kunnen worden verscheept. Nu staat het vast, dat er een bacovensoort is, die in Suriname aardt en die niet voor de Panamaziekte vatbaar is. De cultuur is dus geslaagd, maar de plantages worden verwaarloosd door het geldgebrek van de planters, die ook geen crediet kunnen krijgen. En de vruchten, die er nog zijn, kan men weggooien, omdat de gelegenheid tot verscheping ontbreekt. De hoop moet worden uitgesproken, dat er zeer spoedig gehandeld worde. Er schijnen onderhandelingen met Rotterdamsche firma's te zijn gevoerd; maar de regeling schijnt nog te wachten op de goedkeuring der planters, en er loopen geruchten, dat nu weder de planters bezwaren maken tegen de voorstellen der Rotterdamsche firma's, zoodat de vrees bestaat dat geen resultaat zal worden verkregen.

Toen in December 1910 tot de likwidatie der bacovencultuur met Gouvernementsteun werd besloten, werd door den Minister van Koloniën betoogd, dat in enkele maanden voorstellen voor Suriname zouden ter tafel liggen. Nu, bijna vier jaren later is er echter nog niets tot stand gekomen.

Het denkbeeld van een cultuurbank is voor Suriname niet nieuw. Bijna een eeuw geleden heeft de Commissaris-Generaal van den Bosch den stoot gegeven tot de oprichting van een West-Indische bank met een kapitaal van drie millioen gulden. Het was ook toen de bedoeling, dat het een particuliere bank zou zijn, maar men kon geen particulier kapitaal krijgen en de bank werd dus geheel met Gouvernementsgeld opgericht.

De West-Indische bank heeft in de twee eerste jaren van haar bestaan goed gewerkt. Zij verstrekte belangrijke voorschotten voor den landbouw; verscheidene suikerplantages konden daardoor tot bloei komen en koffie en katoengronden konden weder met goed resultaat worden beplant. De bank zorgde ook voor een regeling van den geldsomloop en gaf wissels af op het Ministerie van Koloniën. Maar in 1831 kreeg men last uit Nederland om geen voorschotten meer te geven; de moeilijkheden met België maakten, dat men in Nederland het geld noodig had en het kapitaal voor de koloniale instelling niet meer beschikbaar kon stellen. Het was dus spoedig met de credietverstrekking gedaan. Het spreekt wel van zelf, dat men aldus met een bank niets kon bereiken. Als men aan de plantages, die men op gang helpt,