is toegevoegd aan uw favorieten.

De toekomst der maatschappij

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mutatie-proces en mitsdien ben ik een tegenstander van de leer der spontane erfelijke variabiliteit.

Mijne stellingen zijn deze:

le. Slechts de constitutie van de dubbelcel waaruit een individu ontstaat bepaalt zijn erfelijken aard.

2e. De constitutie van de dubbelcel waaruit een individu ontstaat bepaalt te zamen met de omgeving waaronder het opgroeit zijn individueelen aard.

Hoe zijn wij, of juister, want er zijn er velen, die eene andere opvatting huldigen, hoe ben ik nu tot deze opvatting gekomen?

Dit na te gaan is:

le. leerrijk om ons een inzicht te geven in den aard der problemen, die in deze serie van lezingen ter sprake zullen komen.

2e. geeft het mij gelegenheid iets te zeggen over het tweede gedeelte van het mij, door uw bestuur gestelde thema: „wat er van Darwin's leer geworden is".

Het erfelijkheidsprobleem wortelt in het soortsprobleem en is er noig heden ten dage zeer nauw meide verbonden.

Wij willen daarom met de geschiedenis van het soortsprobleem beginnen.

Het meest algemeen geldende soortsbegrip is dat van Linnaeus; het vindt uitinig in de zoogenaamde binominale soortsaanwijzing, waarvan het eerste woord het geslacht aangeeft, waartoe de soort behoort, het tweede de betreffende soort zelf aanduidt.

Zoo heet b.v. de menschheid, die Linnaeus als één enkele soort beschouwde: Homo sapiens, de wijze mensch!

Maar als men de individuen van ééne Linné'sche soort nader gaat beschouwen, blijkt het al spoedig, dat zij niet aan elkaar gelijk zijn — terwijl toch soortssamenhoorigheid onderlinge gelijkheid vereischt — docfh slechts meer of minder gelijkenis met elkaar vertoonen.

Linnaeus, die in de eerste plaats botanicus was, en dus