is toegevoegd aan uw favorieten.

De wonderen van den sterrenhemel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden de, tot op dat oogenblik aangenomen, grenzen van het zonnestelsel plotseling uitgebreid tot een twee maal grooteren omvang dan vroeger (fig. 2) en daaruit ontsproot natuurlijk de hoop, dat zich ook spoedig nog andere planeten, in de onmetelijke ruimten daarbuiten, zouden vertoonen.

Eenige jaren te voren had Bode (1747—1825) — of eigenlijk één zijner voorgangers — zooals wij later nog zullen zien, gevonden, dat de afstanden der planeten van de zon een regelmatig opklimmende reeks vormen, wier termen op eenvoudige wijze uit elkaar afgeleid kunnen worden. Deze merkwaardige regel, bij de astronomen bekend onder den naam van „wet van Bode," werd nauwkeurig bevestigd door den afstand tot de zon van de nieuwe planeet Uranus. Er was echter nog een groote ledige gaping tusschen de planeten Mars en Jupiter. Als daar werkelijk nog een andere planeet rondwentelde, dan zou het zonnestelsel het beeld hebben opgeleverd van een bijna volmaakte regelmaat. Doch de open ruimte tusschen Mars en J u pi ter bleef oningevuld; de ruimte, waar men terecht mocht verwachten, nog een andere wentelende planeet te ontdekken, bleef onverklaarbaar ledig.

Doch op den eersten dag van de 19e eeuw zou dit geheim opgelost worden door de ontdekking van een lichaam, dat rondwentelde in de ruimte, die men tot nogtoe als „planeetloos" beschouwd had. De Italiaansche sterrenkundige Piazzi, te Palermo, zag op dien gedenkwaardigen Nieuwjaarsdag een klein sterretje, dat hij eerst voor een vaste ster hield, doch dat, door den aard zijner bewegingen, alle kenmerken van een planeet vertoonde en dan ook door hem en den grooten wis- en sterrenkundige Gauss, te Göttingen, als zoodanig herkend werd. Men had een nieuwe planeet ontdekt, die later Ceres

gedoopt werd. Maar het was een uiterst klein bol-