is toegevoegd aan uw favorieten.

De wonderen van den sterrenhemel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zich langzamerhand tot op eenigen afstand in den omtrek scheen te verspreiden. In verband met den grooten afstand, waarover dit alles plaats had, scheen het, alsof de nieuwe ster een stofmassa had uitgestooten, die Jzich naar buiten verspreidde, met dezelfde snelheid als het licht.

Door onzen landgenoot profr. Kapteijn en Dr. Wilson werd echter de merkwaardige theorie uitgesproken, dat er feitelijk in 't geheel geen verspreiding van stof plaats had, doch dat de juiste verklaring van het verschijnsel wellicht daarin te zoeken was, dat een geleidelijke verlichting plaats had van een, tot dusver onzichtbare, nevelmassa, als het gevolg van de opflikkering, die ongeveer zes maanden te voren plaats had. Men stelde zich daarom voor, dat het een of andere donkere hemellichaam, dat zich door de wereldruimte met zeer groote snelheid bewoog, zich in een onzichtbare nevel massa gestort had. en dientengevolge, bij de beweging door dezen nevel, gloeiend geworden was, evenals dit geschiedt met een meteoorsteen, die door onzen dampkring vliegt. De verlichting, die aldus tijdelijk op één punt begonnen was, werd door de nevelmassa's in den omtrek overgeplant, met de gewone snelheid van het licht en daardoor was deze omringende massa langzamerhand zichtbaar geworden. Volgens de veronderstellingen, noodig om het verschijnsel met deze theorie in overeenstemming te brengen, werd aangetoond, dat Nova Persei zich op een zoodanigen afstand moest bevinden, dat het licht ongeveer 300 jaren zou noodig hebben, om ons vandaar te bereiken. De werkelijke uitbarsting van de verlichting, die aanleiding gaf tot de waarneming van deze tijdelijke ster, moet dus reeds ongeveer tijdens den slag bij Nieuwpoort (1600) of de geboorte van de Ruyter (1607) plaats gehad hebben. Eenige nieuwere onderzoekingen ten opzichte van Nova Persei hebben echter de