is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de aarde wekt, haar beeld; een Paradijs Vol zaligheid haar oog. Beveel een feest,

Waarbij de meisjes van geheel uw Rijk Zich meten in bevalligheid en jeugd,

En reike daar de Prins met eigen hand Den prijs der schoonheid uit. Zoo blijkt het licht, Of van zijn teer gelaat de droeve trek Voor een dier schoonen wijkt. Het oog der Min Heeft dan zijn eigen vrije keus, en list Voert straks den knaap in de armen van 't geluk." Dit woord vond bijval, en — op zeek'ren dag Werd al wat jong en schoon was aangemaand Te komen in 't paleis voor 't feestelijk spel, Waarbij een elk uit handen van den Prins Iets rijks ontvangen zou, maar 't rijkste zij, Die door haar schoonheid allen overtrof. Kapilawastu's maagden stroomden toe, Met donker glanzend, opgebonden haar; Met oogen, door de soorma-kwast gekleurd; Nog frisch van 't bad en geurend; blij getooid Met shawl en doek; de teng're hand, de voet Met karmozijn op nieuw getint, gestipt Met held're plekken tilka. Heerlijk schoon Was de aanblik dezer maagden. Bij haar gang Voorbij den troon, met afgemeten pas,

Sloeg elk het groote donkere oog omlaag; Want meer dan eerbied voor zijn majesteit Was oorzaak, dat het teêre hartje sloeg,

Toen, op zijn troon, zoo ongeroerd, zoo kalm, Zoo edel, zoo hun meerdere, de Prins Daar zat. Niet een, die, als ze een gift ontving,