is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van liefde glinst'rend. Haren geur'gen krans Hing ze aan zijn hals. Haar onberisp'lijk hoofd Lei ze op zijn borst. Zich buigend kuste zij Met fleren, blijden blik zijn voet, en sprak: „Aanschouw mij, lieve Prins, 'k behoor u toe!" En dekte weer 't gelaat. Luid juichte 't volk, Toen, hand aan hand en hart aan hart, het paar Volzalig henentoog.

Toen later 't licht Was opgegaan, werd Buddha eens gevraagd Waarom zij zwart met goud droeg en haar gang Zoo fier was. „'k Wist dit zelf ter nauwernood." Zei 's Werelds Roem, „maar op het went'lend rad Van dood en leven keert vanzelf terug, Wat eenmaal werd gedacht, gezegd, gedaan, 'k Herinner mij, hoe 'k, vóór veel duizend jaar In 't glooiend woud van Himalaya zwierf, Als hong'rige en gestreepte tijger, 'k Dook In 't Küsa-gras en loerde op 't weidend vee, Met groene, glinst'rende oogen, tot ze allengs Mijn leger naakten, eigen ondergang Nabij. Of 'k zocht in 't nacht'lijk uur een prooi, En snuffelde verwoed de paden langs Naar 't spoor van mensch of dier. Een tijgerin, De schoonste van het bosch, deed toen een krijg Ontbranden tusschen allen, die in 't riet,

Of diep in 't struikgewas met mij hun lot Als makkers deelden. Goudbont was haar vel, Gelijk Yacjodhara een sluier droeg Van zwart met goud gestikt. De strijd in 't woud Met tand en klauw werd fel, en 't schoone dier,