is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De koopers met hun geld; den woordenstrijd Bij 't prijsbedingen; 't roepen om ruim baan; Groote steenen raad'ren; de ossen, traag Maar sterk, met zware, rammelende vracht; Den zang der dragers met den palankijn; Gespierde hamals, zweetende in de zon; De vrouwen, water halende uit de wel Aan 't balanceerend juk, en langs haar heup De donk're knaapjes; de uitgestalde spijs, Omzwermd door vliegen; 't snorrend weefgetouw; Den wentelenden molensteen; den hond, Die afval zocht; den knappen wapensmid, Die maliekolders smeedde, met zijn tang En moker; d' ijzersmid, die in zijn vuur Houweel en speer te gader gloeien deed; De school, waar, om den guru in een kring, De kleinen mantra's zongen en 't verschil Der Goden leerden; ververs, die hun doek, Nog vochtig van het vat, oranje, groen Of rood, te drogen legden in de zon;

Soldaten, klett'rend met hun zwaard en schild; Den drijver op zijn hoogen kemel-bult;

Een wijs Brahmaan, den strijd'bren Kshatriya, Een need'rig slovend Qüdra; hier een schaar, Die 't aanzag, hoe een spraakzaam toovenaar Een adder, blinkende als van edelsteen,

Wond om zijn pols, of uit een schijnb'ren dood Verwoed liet dansen, ramm'lend met z'n snoer; Daar trommen en trompetten in een rij, 't Geleide van een bruid in zijden koets Met bont getooide paarden; ginds een vrouw,