is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE BOEK.

Dan, toen de tijd vervuld was van den droom, Naakte ook 't vertrek des Prinsen, lang bepaald, Dat weeklacht wekken zou in 't Gulden Huis, Den Vorst in rouw zou domp'len en het volk In smart, maar 't menschdom redden door de Wet Te schenken, die verlost al wie haar hoort.

Zacht daalt op 't veld een Hindostansche nacht Bij volle maan, in Caitra-Shud, de maand, Waarin de mangoe's kleuren en de lucht Geurt van d'Agóka-bloei, waarin op 't feest Van Rama stad en land zich blij verheugt, Een nacht, zoo kalm, streek neer op Vishramvan Vol bloemengeur, met starren dicht bezaaid, Frisch door de zoele zuchtjes, afgedaald Van 't sneewkleed op Himala's hoogen rug. De maan dreef boven de oosterspits en klom Den tintelenden hemel langs. Haar licht Bescheen Rohim's kabb'lend vocht en berg En dal en 't slapend land, en dichter bij Versierde zij met zilver t' hooge dak Van 's Prinsen lustlot, waar zich niets bewoog,