is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En gij, die in hun groen zoo lustig woont,

Duif, bulbul, bijeneter, parakiet,

Gij, vlugge vogels! haat ge uw leven soms? Niet een, die poogt den weg tot beet'ren staat Te banen door voorafgaand leed. De mensch, Uw meester, die u doodt, de mensch alleen Is wijs. Zijn wijsheid voedt zich met zijn bloed En voert tot zelfkastijding!"

Onderwijl

Woei van de bergen 't stof, pas opgejaagd Door geiten en door schapen, wit en zwart, Die tripp'lend daalden of met tragen tred Nu toefden bij een welig struikje en dan,

Gelokt door 't glinst'reüd water of door 't groen Van wilde vijgen, zijwaarts drongen. Steeds, Zoo vaak zij doolden, riep de herder luid Of wierp hij met zijn slinger, om allengs De onnooz'le kudde naar het ylakke veld Te voeren. Door een wond verlamd, bebloed, Kwam, moeilijk volgend, achteraan een lam.

Zijn makker sprong vooruit en 't moeder-schaap, Bevreesd, dat ze een der twee verliezen zou, Liep angstig heen en weer. Dit zag de Prins. Toen nam hij, teêr bezorgd, het hinkend lam En droeg het op zijn nek en sprak: „Wees kalm, Gij, arme moeder! 'k draag uw zorg u na. 't Is wel zoo goed de smart van eenig dier Te stillen, als in gindsche holen 't leed Der wereld te overpeinzen met een schaar Van prevelende asceten."

„Waarom, vriend!"

6