is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo sprak hij tot den herder, „drijft ge uw vee In 't heete middaguur? Is de avondstond Niet de aangewezen tijd?"

Het antwoord was: „Een offergave in geiten, honderd stuks, En evenveel in schapen, brengen wij. De Koning moet van nacht in dienst der Goön Hen slachten."

„Ik ga meê," zei Buddha toen. En naast den herder wand'lend, vol geduld, In stof en zon, terwijl 't onrustig schaap Hem blatend volgde, droeg hij 't lijdend lam.

Aan d'oever van den stroom verscheen een vrouw, Nog jong, met zachten blik, 't gelaat betraand, De handen opgeheven. Met een groet, Ootmoedig buigend, sprak zij: „Gist'ren, Heer! Hebt ge u ontfermd om mijnentwil. Alleen Verzorg ik in dit vijgenwoud mijn kind. Hij vond bij 't dolen in 't gebloemte een slang, Die kronkelde om zijn pols. Hij lachte blij En tergde in scherts de fijn gespleten tong En d'open mond van 't schijnbaar schuld'loos dier, Helaas! hij werd al spoedig bleek en stil. Ik wist niet wat hem afhield van zijn spel; Waarom hij naar de moederborst niet vroeg. Een zei: „„Hij is gebeten!"" een: „„Hij sterft!"" Maar ik, die van mijn kind niet scheiden kon, Vroeg hem om kruiden, die het licht misschien Weer brachten in zijn oog; zoo uiterst klein Was 't teeken van den kus der slang. Ik dacht: Zoo lief een kind had zij toch niet gehaat,