is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verdroogde in 't bosch de poelen; gras en kruid Ging kwijnen, 't Woudgedierte zwierf alom Met angst om voedsel rond. In zulk een tijd Bespeurde eens onze Heer een tijgerin,

Die lag te sterven op den naakten steen Der heete nullah-wanden. 't Hong'rig oog Zag flikk'rend groen. Een handbreed hing de tong Uit d' open muil langs de ingevallen wang. Geplooid lag om de ribben 't bonte vel Als om 't gebinte soms een strooien dak, Verweerd van regen. Aan de maag're borst Lag 't tweetal welpen hong'rig jamm'rend neêr En rukte en zoog en knabbelde aan de speen, Die hun geen melk meer bood; terwijl zij zelf, Het maag're moederdier, haar kermend paar Met moederlijke zorgen lekte en nog De zij' hun toehield onder droef gehuil En met een liefde, sterker dan de nood;

Waarbij zij eerst haar wilden kreet bedwong, Maar dan den muil in 't zand uitstrekte en woest Van honger brulde alsof 't een donder waar'! Haar ziende in haren jammer dacht de Heer, Zich zelf vergetend, slechts als Buddha vol Van eind'loos meelij: „Eéne hulpe slechts, Die nog het moordend wouddier redden kan! Zij sterft eer de avond valt. Zij heeft geen spijs. Niet één, die deernis met haar heeft, nu 't dier, Van roof bebloed nog, sterft van dorst naar bloed. Indien ik zelf haar voed, wie dien het deert? Lijdt liefde schade, zoo zij 't hoogste doet, Wat liefde vraagt?" Toen lei hij kalm terzij'