is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Betoonde zulk een ongewone macht,

Dat kracht en leven weerkeerde in den Heer, Als had hij in den droom slechts dag aan dag Gevast en nachten wakend doorgebracht; Als had hier met het vleesch de geest zijn deel Aan 't kostlijk maal en werd zijn wiek verjongd; Gelijk soms, moê van de eindelooze vlucht Langs 't dorre zand, de vogel bij een stroom Verrukt het stof van hals en kopje spoelt. Sujata's hulde steeg, toen voor haar oog De Buddha schooner prijkte in reiner glans. Zij vroeg ootmoedig: „Gij zijt toch de God? En vond mijn gift gena?"

„Wat bracht gij mij?"

Zeï Buddha.

't Antwoord van Sujata was: „Van honderd koeien nam ik de eerste melk Nadat zij moeder werden, 'k Gaf dien drank Aan vijftig witte koeien, met wier melk Ik vijfentwintig drenkte, die van nieuws Een twaalftal leschten. 'k Bood weêr van die twaalf De melk aan zes, die van ons beste vee Wel de allerbeste waren. Melk dier zes Kookte ik in zilv'ren lota's, aangemend Met specerij en sandel, en met rijst,

Uit keur van zaad geteeld in nieuwen grond, Zóó uitgezocht, dat ied're korrel haast Een parel scheen. En dat met heel mijn hart! 'k Had immers u beloofd, dat, als een zoon Mijn deel mocht zijn, ik dankbaar offren zou. En nu, nu ben ik zalig! 'k heb een zoon!"