Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het trekpad, dat Gouda en Amsterdam gezamenlijk aanlegden en beheerden, begon bij de Roode Paal nabij Uithoorn en eindigde bij den Rijn tegenover Gouwesluis.

De beschreven vaartverbetering bleef echter gebrekkig ten gevolge van den onderlingen naijver der Steden. Zoo bepaalde het aangehaalde octrooi der Staten van Holland van 1656, dat, in het belang van de stad Haarlem, de brug in den Lagen Rijndijk over de Nieuwe Vaart te leggen en evenzoo de sluis tusschen Drecht en Aar te maken, slechts een doorvaartwijdte mocht hebben van 8 voet 10 duim (d. i. 2,63 M.), zijnde deze maat de toenmalige doorvaartwijdte van de bestaande brug in den Rijndijk over de Aar (bij Oudshoorn).

Ook wist Haarlem de bepaling te bedingen, dat het verleende octrooi vervallen zou, indien de trekschuiten in plaats van uitsluitend passagiers en hun bagage ook „waren van koopmanschap" door de nieuwe vaart zouden vervoeren.

Beheer door het Heemraadschap van. den Amstel en Nieuwer-Amstel (1823—1905).

In het begin van de 19e eeuw, onder Koning Willem I, kwamen nieuwe plannen tot verbetering van deze vaart aan de orde. Om tot uitvoering dier plannen te geraken, trad de Regeering in overleg met de eigenaars der verschillende tollen en gabellen, ten einde die af te staan aan een over de werken in te stellen bijzondere Directie.

Het gevolg van het ingrijpen door het hooger gezag was het Koninklijk Besluit van 5 April 1823, n°. 77, waarbij het College van Dijkgraaf en Heemraden van Nieuwer-Amstel, dat den naam ontving van „Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer-Amstel", werd aangewezen om den Amstel, de Drecht en de Aar voor grootere vaartuigen bevaarbaar te maken, met het recht tot heffing van tollen en gabellen.

Overeenkomstig dit besluit staan de steden Amsterdam en Gouda hun rechten af en worden de bestaande tollen en gabellen door het Heemraadschap overgenomen en door nieuwe heffingen vervangen. De schikkingen met de betrokken besturen over de overneming der werken met de daarop rustende tollen werden bekrachtigd bij het Koninklijk Besluit van 29 November 1828F, n°. 90. Amsterdam ontving voor het gemis der tolopbrengst een- schadeloosstelling van ƒ 3700 'sjaars gedurende 10 jaren • en Gouda een nog steeds genoten jaarlijksche uitkeering van ƒ 2000.

In beheer van Gouda blijft na 1823 de Gouwe met jaagpad en veerpont over den Rijn aan de Gouwesluis, totdat ook dit vaarwater in provinciaal beheer is genomen op 1 Januari 1895 (bij besluit der Stoten van 17 Juli 1894, n°. XXI).

De, bij het Koninklijk Besluit van 5 April 1823 aan het Heemraadschap ter uitvoering opgedragen werken tot verbetering van de vaart op den Amstel, de Drecht en- de Aar zijn de navolgende:

a. De verbreeding en verdieping van de Drecht en de Aar.

b. De verwijding van de valbrug te Ouderkerk aan den Amstel en van die te Uithoorn.

c. Het maken van een nieuwe brug aan den Vrouwenakker ter vervanging van het aldaar bestaande pontveer, alsmede van een nieuwe brug in de plaats van de zoogenaamde Kattenbrug.

d. Het verwijden van de Aardammerbrug, de Galgmolenbrug, de (Scheeve) Jaagbrug en de Rijnbrug, alle met dubbele vallen, over bet Aarkanaal gelegen.

e. Het leggen van een nieuwe schutsluis tusschen Amstelland's en . Rijnland's boezem, ter vervanging van de bestaande verlaten in de

Drecht aan den Bilderdam en in de Aar bij de Kattenbrug.

Sluiten