Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Behalve deze werken werden nog afsnijdingen van eenige hinderlijke bochten uitgevoerd, waarvan de voornaamste was die van de Kromme Aar tusschen de Scheeve Jaagbrug en de Galgmolenbrug. Laatstgenoemde bruggen, te voren over de vaart zelve gelegen, kwamen ten gevolge van die bochtafsnijding buiten het vaarwater te liggen en werden vaste bruggen in het jaagpad, die heden ten dage nog bestaan. Aldus werd het aantal bruggen over het Aarkanaal van vijf op drie teruggebracht.

De nieuwe Amstelsluis, in 1824 gebouwd, heeft twee schutkolken naast elkaar, waarvan de eene lang 57,50 M., breed 8,15 M. en de andere lang 27,40 M., breed 4,10 M-,' de slagdrempel van de groote sluis ligt op 2,87 M. -t- A.P. en die van de kleine sluis 0,50 M. hooger. Beide sluizen zijn elk voorzien van 4 paar naar weerszijden keerende deuren.

De bruggen over het Aarkanaal zijn alle beweegbaar (dubbele ophaalbruggen in houtconstructie). De Kattenbrug heeft 8,62 M., de Aardammerbrug 8,60 M. en de Rijnbrug 8,50 M. doorvaartwijdte. ')

De werken der vaartverbetering werden bekostigd uit geldleeningen van het Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer-Amstel, daartoe gemachtigd bij de Koninklijke besluiten van 29 November 1823 (le leening ƒ 350 000), van 17 Mei 1825 (2e leening ƒ 100000) en van 28 Mei 1826 (3e leening ƒ 50 000).

Door de uitvoering van deze werken werd het scheepvaartverkeer door het Aarkanaal zeer bevorderd, vooral voor grootere vaartuigen, die vroeger hun weg naar Amsterdam over den Haarlemmermeer moesten nemen, welk vaarwater dikwijls een moeielijke en gevaarvolle vaart opleverde.

Evenwel bleek het op den duur niet mogelijk om uit de opbrengst der heffing van tollen en gabellen de jaarlijksche kosten van het Aar-en Amstelkanaal te dekken. Het Rijk moest herhaaldelijk subsidiën aan het Heemraadschap toekennen tot dekking van tekorten.

In 1857 werd het Rijkssubsidie voor rente en aflossing der schuld verhoogd tot ƒ 10000, welk bedrag daarna geregeld jaarlijks uitgekeerd werd.

De droogmaking van de Haarlemmermeer veroorzaakte een blijvende vermindering in de opbrengst der tolheffingen, daar de Ringvaart van den Haarlemmermeerpolder, van uit de Gouwe door den Rijn, de Heimans wetering, het Braassemermeer en de Oude Wetering gemakkelijk te bereiken was en een voor grootere vaartuigen wel zoo geschikten en minder zwaar belasten waterweg van en naar Amsterdam vormde dan het Aar- en Amstelkanaal.

Ook de opening in 1892 van het tolvrije Merwedekanaal, hoewel dit een grooten omweg voor de scheepvaart tusschen Rotterdam en Amsterdam oplevert, gaf een aanzienlijke vermindering van inkomsten voor het Heemraadschap.

In de tabel en graphische voorstelling op bl. 22 én 23 is de daling van het scheepvaartverkeer door het Aarkanaal in de jaren 1892 en '93 zeer merkbaar. Toch blijkt uit de cijfers, dat het zwaar belaste Aar- en Amstelkanaal naast het tolvrije Merwedekanaal en den weinig belasten waterweg langs de Ringvaart van den Haarlemmermeerpolder, nog een belangrijke vaarweg is gebleven. Na de afschaffing der tollen in 1906 is de scheepvaartbeweging op het Aar- en Amstelkanaal weer aanzienlijk toegenomen en blijft zij thans nog stijgend.

Opmerkelijk is het, dat uit de graphische voorstelling en tabel blijkt, dat de gemiddelde tonnenraaat per schip, van het aantal per jaar doorgevaren schepen voor het Aarkanaal (60 ton in 1908) kleiner is dan voor de Gouwe (80 ton in 1908) en dan voor het Merwedekanaal (110 ton in 1908), welk feit bewijst, dat de grootere vaartuigen het Aarkanaal mijden. Zulks is

x) De opgegeven afmetingen van de bruggen over het Aarkanaal en van de Amstelsluis zijn ontleend aan het „Overzicht der Scheepvaartwegen in Nederland" (1909).

Sluiten