Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na bekomen machtiging bij het Statenbesluit van 16 Juli 1907, n°. IX.B voor de Provincie het eigendom van het perceel weiland en kade kadastraal bekend gemeente Leimuiden, Sectie C, n°. 612, groot volgens het kadaster 4 hectaren 11 aren, tegen betaling van ƒ 5000 aan den Noordeind- en Geerpolder (afdeeling Geer). De Provincie verwierf zoo tevens de gelegenheid om op dit zeer smalle gedeelte van het vaarwater de kade achteruit te zetten. (Zie verder bestek n°. 1, blz. 16).

Door den overgang van de hier voren beschreven polderkaden in provinciaal beheer en onderhoud is dus geheel voorkomen, dat de polders bezwaard zouden worden met de gevolgen van de toename der scheepvaart na de tolafschaffing.

Besluit tot recon- In dezelfde zomerzitting van 1907 namen de Staten tevens het besluit

structie der kaden. van 16 Juli 1907 n°. X tot reconstructie der kaden langs het Aarkanaal

binnen korten termijn, waartoe Gedeputeerde Staten het voorstel hadden

ingediend onder overlegging van het desbetreffend rapport van 8 Juni 1907

van den Hoofdingenieur J. van der Vegt.

Dit besluit, hetwelk van zoo groot gewicht is voor de verbetering van

het Aar kan aal, luidt letterlijk als volgt:

„De Staten der Provincie Zuid-Holland, Gezien de betrekkelijke voordracht van de Gedeputeerde Staten dier Provincie;

Besluiten:

1°. De verdediging der boorden van het Aarkanaal gepaard te doen gaan met verbreeding van het kanaal op de nauwere plaatsen, zoodat de minste kanaalbreedte zal bedragen op den bodem 20 M., op de diepte van 3 M,-r A.P. en 26 M. breedte op den waterspiegel van 0,50 M. — A.P. en in de oeververdediging op gelijke wijze te voorzien als op de Gouwe en op het Rijn-Schiekanaal; 2°. deze oeververdediging uit de voeren binnen een tijdperk van 6 jaren; 3°. Gedeputeerde Staten te machtigen tot aankoop van de terreinen, voor de uitvoering van het werk noodig, hetzij met toepassing der onteigeningswet, hetzij in der minne". Door dit belangrijke besluit, hetwelk in hoofdzaak strekt om de boordverdediging langs het Aarkanaal met gelijktijdige verbreeding van het vaarwater te doen uitvoeren, wordt uitdrukkelijk bevestigd, hetgeen de Hoofdingenieur J. van dek Vegt aan het slot van zijn rapport van 30 September 1905 verklaard heeft, namelijk dat het niet onmogelijk is, dat de wenschelijkheid zoo niet de noodzakelijkheid tot verbreeding spoedig wordt gevoeld. (Zie blz. 11).

Gedeputeerde Staten daarentegen hebben aanvankelijk gemeend, blijkens hun toelichting van 26 Juni 1905 tot het voorstel betreffende de regeling van het beheer en onderhoud van het Aar- en Amstelkanaal'), dat het niet waarschijnlijk is, dat er later eenige noodzakelijkheid tot verbreeding van het Aarkanaal kan bestaan.

Het nadien ingestelde technische onderzoek van het Aarkanaal heeft echter ten duidelijkste aangetoond, dat de verbreeding van het vaarwater op de nauwere plaatsen beslist noodzakelijk is te achten, niet alleen in het belang van de scheepvaart, maar ook ter verkrijging van een meer geschikte boordverdediging zonder al te hooge kosten van aanleg en onderhoud.

Het zij vergund hierop de aandacht te vestigen, omdat een dergelijke

l) Blz. 20—21 van Bijlage DD1 der Notulen van de Zomerzitting in 1905.

Sluiten