Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Commissie van Rapporteurs voor de Waterstaatsbegrooting van 1890 voorgesteld de navolgende motie: SIP

„De Kamer van oordeel, dat de slagdrempels der Nieuwe Sluis te IJmuiden behooren gelegd te worden op een diepte van 10 M. A.P. gaat over tot de orde van den dag"; welke motie in de Tweede Kamer met 67 tegen 28 stemmen werd aangenomen.

Als gevolg daarvan is toen de slagdrempeldiepte der sluis van 8.50 M. — A.P. op 10,15 M. -f- N.A.P. gebracht.

De door de Commissie uit de Staten voor het Aarkanaal gewenschte meerdere afronding van hinderlijke bochten is werkelijk in het belang van de scheepvaart beslist onvermijdelijk te achten, vooral in het zoo bochtige gedeelte van de Leidsche Vaart tot Papenveer, dat het ongunstigst is. Herhaaldelijk komt het, hier voor, dat de schepen in de bochten bij slecht zicht, hetzij 's nachts of overdag, in den wal varen, terwijl ook het passeeren van lange sleepen in dit gedeelte moeielijkheden oplevert.

Bij de vaststelling van de nieuwe normaallijnen van het vaarwater is zooveel mogelijk de richting van den Westelijken oever gevolgd, ten einde aan deze zijde langs den provincialen weg de kostbare onteigening van huizen en erven te beperken.

De verruiming van het vaarwater is dus meest aan de Oostzijde ontworpen, waar de bebouwing het minst talrijk is, uitgezonderd de noodzakelijke afsnijding van twee bochten aan de Westzijde in het gedeelte tusschen de Leidsche Vaart en het Papenveer.

Ondanks de ontworpen meerdere afsnijding van verschillende bochten in het kanaalvak Aardam—Papenveer is het niet mogen gelukken, binnen de grenzen van een redelijke onteigening, de bogen in de kanaalas een grooteren straal dan 500 M. te geven.

Deze straal kan echter voor het Aarkanaal wel voldoende geacht worden. In den regel wordt 500 M. straal voor de bogen in dergelijke scheepvaartkanalen als een minimum-straal beschouwd, welke zonder bijzondere verruiming van het kanaalprofiel toelaatbaar is. In bogen van kleineren straal of in zeer lange bogen van 500 M. straal is een verbloeding van het vaarwater, liefst aan den bollen oever van de bocht, een noodzakelijke eisch.

Op grond van deze overwegingen is in het gedeelte van de Leidsche Vaart tot het Papenveer de normale breedte van het kanaal op den waterspiegel van 26 M. op 30 M. gebracht, aangezien in dit gedeelte de bogen van 500 M. straal elkaar over 785 M. lengte onafgebroken, dus zonder verbinding van rechte lijnen, opvolgen. Ter beperking van onteigeningskosten is, met gebruikmaking van bestaande verbreedingen in het vaarwater, de verruiming aan den hollen oever der bochten ontworpen. Dit levert hier voor de scheepvaart geen bezwaar op, omdat het kanaal in dit gedeelte, ten gevolge van afsnijding der verschillende bochten, toch reeds op vele plaatsen een veel grootere breedte dan 30 M. verkrijgt.

In het overige gedeelte tusschen de Leidsche Vaart en Aardam zijn de lengten der bogen van 500 M. slechts gering en worden zij door voldoend lange rechte stukken afgewisseld, zoodat een meerdere kanaalbreedte dan 26 M. in deze korte bochten overbodig is te achten.

De aansluiting van de ontworpen kanaalas nabij Papenveer met de reeds vastgelegde as van het in uitvoering zijnde kanaal vak Schilkerbrug—Kattenbrug, wordt verkregen door een boog van 200 M. straal. Door de aanwezigheid van de Schilkerbrug en van de onmiddellijk daarachter gelegen schutsluis van den Noordeindschen polder is een aansluitingsboog met grooteren straal niet wel mogelijk zonder zeer kostbare onteigening in verband met eventueele omlegging van brug en sluis. Aan het bezwaar van de te korte bocht zal

Sluiten