Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 30. 1. Ontslag aan onderwijzen, aan gemeentescholen verbonden, wordt door den gemeenteraad verleend:

a. rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang van den dag door den gemeenteraad te bepalen ;

b. op voordracht van burgemeester en wethouders of van den districts-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, aan het hoofd eener school geplaatst ;

c. op voordracht van burgemeester en wethouders of van den arrondissements-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, die niet aan het hoofd eener school is geplaatst.

2. In de twee laatste gevallen kan het ontslag nieteervol worden verleend.

3. Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de niet-eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren.

4. Aan de onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend door het Rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is.

1. Ontslag aan onderwijzers, aan gemeentescholen verbonden, wordt door de gemeenteraad verleend:

a. Rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, ingaande uiterlik 3 maanden na de ontslagaanvrage;

b. Op voordracht van B. en W. of van de D.-S.

Ten minste veertien dagen voordat de voordracht sub. b. in de Raad aan de orde zal worden gesteld, wordt de onderwijzer mededeling gedaan van deze voordracht en wordt hem afschrift verstrekt van alle stukken, die op de voordracht betrekking hebben.

2. In het laatste geval kan het ontslag niet-eervol worden verleend.

3. Door Ged. Staten kan worden verklaard dat de niet-eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren.

- 4. Aan de onderwijzers, verbonden aan een school, uitsluitend door het Rijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is.

Art. 32. 1. Behalve op de wijze, in de twee voorgaande artikelen bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste geval slechts niet-eervol, op voordracht van den districts-schoolopziener, door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken.

2. Op dergelijk ontslag is het voorlaatste lid van artikel 30 toepasselijk.

Art. 35. 1. Het schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden.

2. De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.

3. De onderwijzer, die zich in dit opzicht aan plichtverzuim schuldig maakt, kan door Ons voor hoogstens één jaar en bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan eene openbare school geschorst worden.

4. Het geven van godsdienstonderwijs blijft aan de godsdienstleeraren overgelaten.

Art. 36. 1. Op bezwaarschriften tegen het in de school gebruik maken van bepaald aongewezen leerboeken, wordt beslist door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast.

1. Behalve op de wijze in de twee voorgaande artikelen bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste geval slechts niet-eervol, op voordracht van de Inspekteur door Ged. Staten worden uitgesproken.

2. Op- dergelik ontslag is het voorlaatste lid van art. 30 toepasselik. ^

3. Zowel bij schorsing als ontslag deelt de Inspekteur zijn voornemen aan de betrokken onderwijzer mede en verleent hem afschrift van alle stukken op zijn zaak betrekking hebbende. Ged. Staten nemen hun beslissing op zijn vroegst veertien dagen nadat bedoelde afschriften zijn verstrekt.

Sluiten