Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Van de Leerplicht.

Art. 3. De verplichting om, voor zoover aan schoolonderwijs de voorkeur gegeven wordt, te zorgen, dat het kind op eene lagere school wordt geplaatst, vangt aan uiterlijk, zoodra het den leeftijd van zeven jaren heeft bereikt.

Deze verplichting eindigt, zoodra het kind zes jaren leerling eener lagere school is geweest en het alle klassen doorloopen heeft, of, voor zoover het onderwijs gegeven wordt in klassen, die samen een langeren leertijd dan zes jaren innemen, zoovele klassen, als samen' een leertijd van zes jaren omvatten, met dien verstande, dat in het laatste geval de verplichting niet eindigt, voordat het kind den twaalf-jarigen leeftijd bereikt en de klasse, waarin het bij het bereiken van dien leeftijd geplaatst was, doorloopen heeft. Ben kind, dat bij zijne toelating op de school terstond in eene hoogere klasse wordt geplaatst, wordt geacht den leertijd, dien de lagere klasse of klassen innemen, doorloopen te hebben.

De verplichting eindigt in ieder geval, indien het kind de klasse heeft doorloopen, waarin het bij het bereiken van den dertien-jarigen leeftijd was geplaatst.

Art. 2. Onder lagere scholen, bedoeld in artikel 1, worden verstaan alle scholen voor lager onderwijs, hetzij openbare, hetzij bijzondere, waar onderwijs wordt gegeven in de vakken, vermeld onder a—h in artikel 2 der wet tot regeling van het lager onderwijs.

Het schoolbezoek wordt geacht geregeld plaats te vinden, indien gedurende twee achtereenvolgende maanden niet meer dan twee schooltijden zonder geldige reden worden verzuimd.

Het huisonderwijs, bedoeld sub 2e. in artikel 1, omvat de vakken, genoemd onder a—g in artikel 2 der wet tot regeling van het lager onderwijs, in verband met een goeden leergang.

Art. 7. Ouders, voogden en andere in artikel 1 genbemde verzorgers zijn van de naleving der in artikel 1 opgelegde verplichting vrijgesteld, zoolang:

le. zij eene vaste woonplaats missen;

2e. zij de kinderen eene inrichting van onderwijs doen bezoeken, die geacht wordt tot het hooger of middelbaar onderwijs te behooren en waar de kinderen buiten de avonduren ten minste zestien uren per week onderwijs ontvangen;

3e. zij tegen het onderwijs op alle, binnen den afstand van 4 kilometer van de woning gelegen, lagere scholen, waar voor de kinderen plaats te verkrijgen is, overwegend bezwaar hebben;

4e. zij voor de kinderen op eenige, binnen den afstand van 4 kilometer van de woning gelegen, . lagere school, ondanks aanvrage tot toelating, geene plaatsing kunnen verkrijgen;

5e. het tijdstip voor toelating van leerlingen niet aangebroken is op de lagere school, waar toezegging van plaatsing is verkregen;

6e. een wettelijk voorschrift het bezoeken van de lagere scholen verbiedt;

7e. de kinderen, volgens schriftelijke verklaring van een geneeskundige, ongeschikt .zijn voor het bezoeken eener lagere school of eener binnen den af-

1. De leerplichtige leeftijd begint met de aanvang van het schooljaar, volgende op dat, waarin het kind de 6-jarige leeftijd bereikt.

De verplichting eindigt, wanneer 't kind 8 jaren, vanaf het zesde jaar, leerling van de lagere school is geweest en alle klassen heeft doorlopen, of wanneer de leerling de klasse heeft doorlopen, waarin hij bij 't bereiken van de 15-jarige leeftijd was geplaatst.

Kinderen, die niet meer leerplichtig zijn,, maar wier ouders wensen, dat zij nog een jaar de school blijven bezoeken, worden gedurende de lopende kursus beschouwd, als te vallen onder de leerplichtwet.

De 2e alinea van dit artikel vervalt,, omdat van geregeld schoolbezoek alleen sprake kan zijn, wanneer geen enkele schooltijd zonder geldige reden wordt verzuimd.

Lett. le. van dit artikel vervalt.

Sluiten