Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunner beschikking hebben" en bij het Regeerings-antwoord op het verslag der Tweede Kamer wordt nu voorgesteld art. 421 aldus te lezen: „In alle gevallen waarin de Kantonregter of de Regtbank een voogd te benoemen heeft, kan de voogdij worden opgedragen aan eene in het Rijk gevestigde regtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of aan eene aldaar gevestigde stichting of instelling van weldadigheid", enz. (Uit de redactie blijkt nu duidelijk, dat „regtspersoonlijkheid bezittende" alleen slaat op „vereeniging").

Dus zal eene vereeniging, stichting of instelling, ook als zij geen gesticht heeft, doch hare statuten, stichtingsbrieven of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven, met de voogdij kunnen belast worden. „Met „duurzame" verzorging wordt bedoeld het tegenovergestelde van „tijdelijke" verzorging, waarmede b. v. vereenigingen tot verstrekking van warm voedsel in den winter of tot het uitzenden van vacantie-koloniën in den zomer zich belasten. Het karakter der voogdij brengt mede dat aan zoodanige vereenigingen niet de voogdij moet worden opgedragen, maar alleen aan vereenigingen, stichtingen of instellingen, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen haar roepen tot verzorging in algemeenen zin. Aan het karakter der vereeniging, stichting of instelling als duurzame verzorgster van minderjarigen wordt niet te kort gedaan door het feit dat de verzorgden, wanneer zij een zekeren leeftijd hebben bereikt, hun brood verdienen buiten het gesticht". (Regeeringsantwoord.)

De vierde alinea van art. 421 achtten sommigen eene hoogst gevaarlijke bepaling; daarbij toch wordt vastgesteld, dat de bewijslast zal rusten op het lid van een bestuur, dat zich wil bevrijden van de aansprakelijkheid wegens daden of verzuimen, de voogdij betreffend, die alle leden van het bestuur persoonlijk en hoofdelijk zullen hebben te dragen. Zeer bezwarend werd die aansprakelijkheid geacht, vooral voor hen

Sluiten