Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer M. van W ij h e Ezn.:

Mijnheer de Voorzitter ! Aan het verzoek van den Nederlandschen Bond tot Kinderbescherming om hedenmiddag deze inleiding te houden heb ik volgaarne voldaan. Het onderwerp is evenwel zoo rijk aan inhoud, dat ik mij noodzakelijk heb moeten beperken, maar ik vertrouw, dat de schets heel sterk zal worden verscherpt in de discussie, welke ik gaarne met de dames en heeren over dit onderwerp zal voeren.

Opvoeden is geven, 't is zich zelf geven met het bewuste doel voor oogen zich overbodig te maken. Daarom is het werk der opvoeding een zware taak, welke al onzen tijd, al onzen lust en al onze geestdrift vraagt. De zwakken in geduld, in vastberadenheid, in wijs beleid, in rechtvaardigheid, in zelfbeheersching, in ernst en niet het minst in geloof en liefde behoeven er niet aan te beginnen; wie echter met oprechte liefde jegens de kinderen vervuld is, voelt den plicht, ze te beschermen, zwaar op zich drukken; hij smeekt om wijsheid en kracht voor den ernstigen, moeilijken arbeid, welke hem dagelijks wacht, overtuigd, dat de indrukken, die de jeugd ontvangt, vaak beslissend voor de toekomst werken.

Hoeveel nauwlettende zorg is noodig, den aangeboren aard, het eigenaardig karakter van ieder kind persoonlijk te leeren kennen en hoe moeilijk valt het, eigen dwaasheden te vermijden, eigen hartstochten te breidelen ; hoe ernstig luidt het voorschrift, de jeugd steeds „naar den eisch van hun weg", d.i, dus naar hun aanleg en neigingen te leiden.

Een breed, dor samenstel van deugden en plichten behoeven wij den kinderen niet in te prenten, het zou ten eenenmale nutteloos, zoo niet erger zijn ; het hart moet geopend voor het goede en het gemoedsleven moet ontwikkeld en gevormd worden.

Opvoeden vraagt kennis van het kind en daarnaast in den volsten zin het „ken u zelf", want zelfkennis leidt tot zelfbesef, tot zelfbeheersching, tot — en dat is een voorname

Sluiten