Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meegaandheid en van halsstarrigheid, van zachtheid en van wreedheid, van bedrog, van diefstal en van onzedelijkheid, evenals in de grootemenschenmaatschappij, zoodat wegens die eigenschappen de kinderen niet naar de gestichten zijn gegaan, maar wel omdat ze op lager grondslag, gedurig beneden pari staan.

De maatschappij moet tal van ongerechtigheden dulden en er de droevige gevolgen van dragen, maar zoodra de uitingen van boosheid en slechtheid beneden een zeker peil zakken, of gevolgen hebben van een bepaalden graad, dan neemt de gemeenschap haar maatregelen. Wat bovendien vooral opvalt, is, dat bij een groot procent het zedelijk willen is verslapt, waardoor zij onder den dwang van physieke neigingen zijn gekomen en in hun zedelijke vrijheid gebonden worden.

Tweeledig is dus de taak voor den opvoeder: hij moet het zedelijk willen stalen èn het kind van den dwang van het eigen-ik verlossen, hem zedelijk om zoo te zeggen vrijmaken.

Langs welken weg dit moet geschieden blijve rusten; dit staat vast, dat voor het kind, zoodra het zich i n n e r 1 ij k gebonden voelt, het oogenblik gekomen is, zich in de vrije maatschappij verder te ontwikkelen.

Nu heeft de kinderwetgever terecht begrepen, dat al die minderjarigen bij veel uiterlijke overeenkomst innerlijk veel verschillen, waarom zij ter voorkoming van verdrietelijkheden en teleurstellingen vooral ook ter vermijding van verkeerden invloed van den een op den ander, dus in het belang van het individu zelf, in groepen gesplitst moeten worden. Hij achtte voor eene goede selectie observatiehuizen dringend noodzakelijk, van waaruit de kinderen in voor hen passende opvoedingsgestichten ondergebracht kunnen worden.

Met schaamte, mag ik wel zeggen, moet erkend worden, dat wij, die geroepen zijn verwaarloosden te helpen, ons in dit opzicht aan schromelijke verwaarloozing van het uitwerken dezer grondgedachte hebben schuldig gemaakt en daar-

Sluiten