Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er van het kind uitgaat op de andere verpleegden of omgekeerd van de anderen op het kind.

De gevaren aan gestichtsverpleging verbonden zijn niet gering. Elk kind toch moet naar zijn bijzonderen aard of aanleg geleid worden en dat is vooral in groote gestichten haast ondoenlijk; de eenvormigheid die daar onvermijdelijk is, dringt het individu achteruit, de groote mate van gestrengheid, die noodzakelijk in het belang der orde moet heerschen, werkt nadeelig op kinderen van verschillende geaardheid.

Gestichtsverzorging doet onbekend blijven met de eischen van het gewone leven, zoodat zonder het te willen zorgeloosheid wordt gekweekt, wat bij de gezinsverpleging weer moet worden ingehaald; dat kan, omdat het leven zich daar meer aansluit bij het leven thuis en omgang is met menschen van gelijken stand en gelijke ontwikkeling.

Gestichten doen niet zoo intens deelen in lief en leed en verhoogen daardoor het zelfrespect niet. In gestichten is het kind gewoon alles in overvloed te vinden, terwijl het zoo noodig is zich te leeren behelpen, soms te ontberen; immers de strijd om het bestaan vraagt straks alle aandacht van den morgen tot den avond.

Kinderen moeten dus wel vroeg het nest uitvliegen en dan moet de nazorg helpen, als zij dreigen te vallen.

Van beteekenis is verder, dat kinderen die lang in gestichten blijven, te laat eene betrekkelijke vrijheid krijgen en dus niet tijdig op eigen kracht en verantwoordelijkheidsgevoel zijn aangewezen.

Gestichten zijn voor opvoeding, zij mogen geen gevangenissen worden, waar kinderen, van vrijheid beroofd, straf ondergaand zijn ; op grond daarvan alleen is een langdurig verblijf nooit te verdedigen; slagen in een bepaald aantal jaren de pogingen niet, dan kan gevoeglijk in eene andere inrichting een poging tot verbetering volgen.

Langdurige gestichtsverpleging werkt afmattend, demoraliseerend op het kind en schept een gevaar voor den opvoeder, die toch vóór alles frisch moet blijven.

Sluiten