Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien ik al zoovele jaren ken, te hebben aangehoord. Ik heb er veel in gevonden wat mij bekend was en ik heb er ook in gevonden waartegen ik in vroegere jaren zoozeer heb gestreden, namelijk tegen het plaatsen van jongens boven de zestien jaar in de gestichten. Mijn meening daaromtrent is, na zooveel jaren nog eens bevestigd.

Het voornaamste, dat ik in de rede van den heer Van W ij h e heb gehoord, is diens wensch om de jongens, slechts zoo kort mogelijk in de gestichten te hebben. Het is mogelijk, dat dit zou kunnen, maar ik voor mij vind den tijd welken de inleider noemde, wel wat erg kort. Bovendien zou ik eens de vraag willen stellen : wat moet men dan met de opvoedingsgestichten doen, met die mooie vakopleidingen, die er allemaal zijn, en met de zorg, die aan de vakopleiding wordt besteed, zooals vroeger aan den Kruisberg en te Avereest. Ik weet wel, dat de karaktervorming een van de voornaamste eischen is, maar de vakopleiding stond bij mij daarmede toch zeer zeker gelijk en als ik vroeger aan een jongen een voorwaardelijke invrijheidstelling gaf, zorgde ik, dat hij tot zekere hoogte vakopleiding had genoten, opdat hij daarmede zijn brood kon verdienen, aangezien de familie, waar hij thuis behoorde, hem niet kon onderhouden.

Nu is de vraag hoe de verschillende dingen moeten geregeld worden. Ik geef toe, dat de gezinsverpleging gaat boven de gestichtsverpleging, maar moet die verandering nu plaats hebben, terwijl de wereld geheel en al ontwricht is ? Is de toestand door den oorlog ontstaan, het motief om te zeggen: ,,laten wij die jongens vroeger uit de gestichten nemen!" of komt men er alleen toe, omdat men van de wenschelijkheid daarvan in het algemeen overtuigd is ? Daarover zou ik nog wei eenige inlichting willen vragen.

De heer G. A. M. de Bruyn (Rotterdam):

Mijnheer de Voorzitter! De inleider is begonnen — en ook u hebt dat in uw openingswoord gedaan — met de verwachting uit te spreken, dat zich in deze vergadering een

Sluiten