Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oogenblik al dan niet aangebroken is, dat een kind in het gezin verder kan worden opgevoed.

Nu meen ik, dat de heer Van Wijhe juist in die gelukkige positie verkeert, dat hij directeur is van een gesticht, waar de verpleging als inleiding tot opvoeding in het gezin wordt beschouwd, in tegenstelling met zoovele andere, in de eerste plaats met onze Rijksopvoedingsgestichten, waar niet de beide opvoedingssystemen deel uitmaken van één geheel en waar als vanzelf een zekere schroom bestaat ten aanzien van het nemen eener eerste proef op dit terrein.

Ook de Vereeniging tot Steun verkeert naar mijn meening in dezelfde gelukkige positie omdat ook zij in het bezit is van doorgangshuizen waar de kinderen voortdurend worden geobserveerd met het oog op de mogelijkheid van het verlaten van het gesticht voor de gezinsopvoeding.

Nu is dat met onze Rijksopvoedingsgestichten niet het geval, en ik meen dat het een ernstig gebrek van die gestichten is, dat de overgang naar gezin niet vroeger, niet veelvuldiger geschiedt en niet beter geregeld is. De gevolgen van dit gebrek zijn duidelijk waarneembaar, niettegenstaande de voortreffelijke krachten die er aan verbonden zijn en niettegenstaande de buitengewone zorg, welke èn directeuren èn personeel èn vooral de Regeering besteden aan de opvoeding der kinderen.

De oud-directeur Mullemeister heeft een lans gebroken voor het goed recht van de bestaande inrichtingen; hij zegt: misschien is het waar, dat het voor die kinderen wenschelijk is het gesticht vroeger te verlaten : maar men denke aan die gestichten !

Dit brengt mij in herinnering een gesprek, dat ik indertijd gevoerd heb met den directeur van een onzer opvoedingsgestichten, die mij toevoegde, toen ik betoogde dat kinderen, die voor gezinsverpleging in aanmerking kwamen, niet langer in zijn gesticht behoorden te blijven: mijnheer, ge denkt niet om den tuinman, maar alleen om het plantje. Daarop

Sluiten