Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erkende ik volmondig dat alleen het plantje voor mij van waarde was; dat de directeuren der gestichten er waren ter wille van het plantje, de kinderen, maar niet het plantje terwille van de directeuren.

In anderen kring heb ik in het voorjaar bepleit een betere samenwerking tusschen vereenigingen, die zich bemoeien met de gezinsverpleging, en onze Rijksopvoedingsgestichten, Tot nog toe is daarvan nog maar zeer weinig gekomen; maar de inleidende woorden van onzen Voorzitter, die ook gewezen heeft op de wenschelijkheid van verandering, met het oog op de buitengewoon sterke bezetting van onze Rijksopvoedingsgestichten en met oog op den buitengewoon grooten achterstand ten aanzien van kinderen die ter beschikking van de Regeering zijn gesteld, geven mij aanleiding daarop nog eens in deze vergadering met een enkel woord terug te komen.

Ik zou mij kunnen voorstellen, dat een veel meer geregelde samenwerking tusschen onze Rijksopvoedingsgestichten en de verplegende vereenigingen, tot zekere hoogte althans, ons kon doen bereiken het ideaal hetwelk de inleider ons zooeven geschetst heeft.

Het groote bezwaar zit, dunkt mij, op het oogenblik hierin, dat, wanneer een directeur van een Rijksopvoedingsgesticht een kind voor gezinsverpleging in aanmerking zou willen doen komen, hij dan als het ware niet kan beschikken over een vereeniging, die daartoe bij voorbaat aangewezen is. Maar al ware dit wel het geval, al zou hij bereid zijn een kind op betrekkelijk jeugdigen leeftijd aan een vereeniging toe te vertrouwen, dan nog mist hij de gelegenheid zonder veel moeite een proef te nemen. Ik kan mij voorstellen — en waarschijnlijk zal de heer Van W ij h e dat beamen ■— dat proefnemingen met het plaatsen van kinderen in gezinnen de eerste maal niet altijd tot een goed resultaat leiden en dat meermalen na korten tijd het kind naar het gesticht zal moeten teruggebracht worden ; omdat de betrekkelijke zorgeloosheid waarin het kind, in een gesticht ver-

3

Sluiten