Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ook buiten het gesticht kunnen zij aangenomen worden! Wij moeten trachten de kinderen zoo vroeg mogelijk in de gewone maatschappij terug te brengen, maar ik voeg er aan toe: de maatschappij geve zich dan ook om voor deze kinderen te doen wat voor hen noodzakelijk is. Het opvoeden en verzorgen dezer kinderen, die de ouderliefde en de ouderzorg missen, is een schoon en heerlijk werk; maar degenen, die het werk ter hand nemen, zullen in de afwerking hunner taak moeten falen, als de maatschappij niet de helpende hand uitstrekt, om de taak der opvoeders te steunen en over te nemen, in de moeilijke jaren van den overgang uit het gebonden gestichtsleven tot het verkeer in de groote vrije maatschappij.

De heer Mr. A. de Graaf, (Utrecht).

Mijnheer de Voorzitter! Het wordt vandaag een eigenaardig debat, want men zou bijna uit beleefdheid verplicht worden tegen zijn geweten in te spreken om eindelijk eens oppositie te voeren. Toch wil mij dat niet gelukken. Ik zou willen zeggen, dat ik met de grootste instemming en voldoening den spreker heb gehoord. Het is U bekend, dat ik verzocht heb dit onderwerp aan de orde te stellen, en ik heb de geheime hoop gehad, dat de heer Van W ij h e het zou behandelen in de richting, waarin hij dat heeft gedaan. Hij heeft daarin mijn verwachtingen overtroffen. Niet alleen zeg ik dit als een complimentje, omdat ik meen, dat hij het voortreffelijk heeft gedaan, maar ik bedoel het in ernst, dat hij den moed heeft gehad te preciseeren. Het is bijna een banaliteit, dat de opvoeding individueel werk is — het is niet noodig daarop nog den nadruk te leggen — maar het is niet minder waar, dat in dat individueele langzamerhand groote lijnen zijn aan te wijzen en op dat gebied langzamerhand ook wetten zijn te ontdekken.

Dat de inleider den moed heeft gehad een leeftijd te noemen en een tijdperk, al is dit wat kort, kan ik toejuichen, maar ik wil daaraan iets toevoegen om den nadruk

Sluiten