Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Wet tot Staatsontginning van Steenkool in Limburg van 24 Juni 1901.

Als bijlage geef ik den tekst dezer wet. Het nieuwste ontwerp, dat tot Opsporing van Delfstoffen van Staatswege, vormt, zooals ik bereids in mijne beoordeeling in De Economist van April 1908 deed uitkomen, slechts eene voortzetting van de verkeerde beginselen, welke bij die wet tot uitdrukking kwamen. Tot juist begrip van de zaak zal het dus goed zijn, dat ik in het kort de gebreken van die wet in herinnering breng, om daaraan dan toe te voegen de critiek, van een Commissie uit den Belgischen Senaat, die benoemd werd om over dergelijke, in België door verschillende personen ingediende, ontwerpen haar oordeel uit te spreken.

De wet van 1901 bevat de bepaling, dat binnen de grenzen van een nader omschreven terrein, in de provincie Limburg, de ontginning van steenkoolmijnen zal geschieden door den Staat. De mijnen die achtereenvolgens ontgonnen zullen worden, zullen bij Koninklijk besluit, den Raad van State gehoord, worden aangewezen. Die te ontginnen steenkool-beddingen waren, door opzettelijk daartoe in het werk gestelde boringen en met opoffering van belangrijke kosten, door particulieren ontdekt. Yoor deze boringen, welke de aanwezigheid van steenkoollagen hebben aangetoond, zal aan de ontdekkers, uit 's Rijks schatkist, eene vergoeding verleend worden, tot een bedrag, overeenkomende met dat der kosten aan zulke boringen in het algemeen

Sluiten