Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbonden. Wordt hij, die zulk eene vergoeding meent te kunnen vorderen, na indiening zijner vordering, door den Minister niet gehonoreerd, dan kan hij die vordering in rechte doen gelden. De eigenaren van den grond zullen recht hebben op eene uitkeering van ƒ 12.50 per H.A. De Mijnwet van 21 April 1810 zal ook op deze door den Staat te ontginnen steenkoolmijnen toepasselijk zijn, met uitzondering van de bepalingen betreffende de uitkeering aan de schatkist, die betreffende de mijnpolitie, alsmede de onderwerpen die bij deze wet geregeld zijn.

Alvorens het wetsontwerp bij de Kamer werd ingediend, was er, bij Koninklijk besluit van 17 April 1899, eene Commissie benoemd om het vraagstuk te bestudeeren, of een voorstel tot Staats-exploitatie aanbeveling verdiende. Op het gunstig advies van deze Commissie werd later door Minister Lelj het wetsontwerp gebaseerd. Dat volgens mijne meening geen van de toen ten voordeele van Staatsexploitatie aangevoerde argumenten den toets eener grondige critiek kon doorstaan en dat de Commissie hare taak al zeer eenzijdig had opgevat, heb ik reeds vroeger te kennen gegeven. Had de Commissie zich op een ruimer standpunt gesteld, dan had zij, waar hier op nieuw een vraagstuk in behandeling kwam, waarover elders tal van de meest bevoegde beoordeelaars op de meest besliste wijze den staf hadden gebroken, zich niet moeten bepalen tot het hooren van één enkelen raadsman, den Chef van de voor rekening van den Pruisischen Staat gevoerde steenkoolontginning te Saarbriicken en die, opmerkelijk genoeg, ook slechts onder reserve zijne voor Staats-ontginning gunstige opinie uitsprak. Om zich in dit geval een onbevooroordeeld eigen oordeel te kunnen vormen, had zij én vóór én tegenstanders van Staats-exploitatie moeten hooren en zich vooral ook zooveel mogelijk moeten trachten op de hoogte te stellen van de bij de particuliere industrie in dit opzicht verkregen uitkomsten.

Sluiten