Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van diezelfde wet nog van eene andere soort van schadevergoeding spreekt dan artikel 16 en dat men deze, zoo men wil, eene voor gemaakte kosten kan noemen, omdat dat artikel spreekt van eene schadevergoeding voor verrichte opsporingen.

De zaak staat nu zóó, dat de ontdekker, in stede van het hem bij artikel 16 van de Mijnwet van 1810 toegekende recht om of de concessie of eene evenredige schadevergoeding te erlangen, zal ontvangen noch de concessie noch de bij artikel 16 bedoelde schadevergoeding. Hem wordt alléén toegekend eene schadevergoeding voor gemaakte kosten en ook deze niet ten volle, zooals de bedoeling is van artikel 46, maar slechts „voor boringen die „de aanwezigheid van steenkoollagen hebben aangetoond „en tot een bedrag, overeenkomende met dat der kosten „aan zulke boringen in het algemeen verbonden."

Dat dit weder heel iets anders is dan de in artikel 46 van de Mijnwet bedoelde schadevergoeding voor verrichte opsporingen, zonder eenige restrictie hoegenaamd, en die door den Rechter zal worden toegewezen, wanneer over de betaling er van geschil ontstaat, behoeft wel geen betoog. De bedoeling van de Mijnwet van 1810 was, om zooveel mogelijk tot het verrichten van onderzoekingen aan te sporen. Ze stelde zich ten taak, niet om de ontdekkers in de herwinning dezer aan opsporingen ten koste gelegde gelden zooveel mogelijk te beknibbelen, maar in tegendeel, om daarvoor rechtszekerheid te verleenen. Daarom ook is, in artikel 20 van die wet, bepaald: „Une mine concédeé „pourra être affectée, par privilége en faveur de ceux qui, „par acte public et saus fraude, justitieraient avoir fourni „des fonds pour les recherches", etc.

Door zich bij het ontwerpen van deze wet niet eerst duidelijk voor oogen te stellen, wat de rechtelijke positie van de delfstoffen was, die de Staat zich als eigendom weuschte toegewezen, en op hoedanige wijze zulks moest

Sluiten