Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De ontdekking van steenkool-afzettingen in Nederlandsch „Limburg, vestigde de aandacht van de Nederlandsche „Regeering, kort geleden, op deze voor het land geheel „nieuwe situatie, en op de dientengevolge te nemen maatregelen. Tot daartoe had men in Nederland slechts de „kleine steenkoolmijn bij Kerkrade, waarvan de productie gebruikt werd door den spoorweg van Aken naar Maastricht „en die ze ontgon tengevolge eener wet van 1845.

„Den 17 April 1899 werd er eene Staats-Commissie „benoemd, om na te gaan, of er aanleiding bestond om „voor den Staat een gedeelte van het nieuwe steenkooloerrein te reserveeren, waarvan reeds eenige concessies „aan particulieren waren verleend.

„De door deze Commissie getrokken conclusies hebben „tot de afkondiging van de Wet van 24 Juni 1901 geleid, „waarbij het tot daartoe bekende gedeelte van het steen„kool-terrein den Staat werd toegewezen.

„Deze evolutie van de Nederlandsche wetgeving is voor „ons ten zeerste interessant, omdat ze plaats had ten „gevolge van geheel gelijksoortige feiten, die ook ons tot „het ontwerpen van wetten heeft geroepen.

„Wij hebben ons daarom verplicht geacht om den Senaat „in dit opzicht volkomen op de hoogte te stellen.

„De Nederlandsche Staats-Commissie reisde naar Saar„brücken, bezocht daar de mijnen, stelde vragen aan de „directeuren en kwam terug met eene hoogst gunstige „meening omtrent Staats-exploitatie.

„In haar rapport van 23 Augustus 1900 komt zij tot „het besluit, dat het geraden zou wezen 4.515 hectaren „voor Staats-exploitatie te reserveeren. De rest van het „in Limburg bekende steenkool-terrein, omstreeks 10.000 „hectaren, zou men onder een groot aantal concessies van „geringe uitgestrektheid kunnen verdeelen.

„De gronden, waarop die meening berust, zou men als „volgt kunnen resumeeren:

2

Sluiten