Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Wet van 24 Juni 1901 bevat in artikel 1 eene principieele beslissing, inhoudende, dat de exploitatie van steenkool-afzettingen, die in het op de bijgevoegde kaart aangegeven terrein, in de provincie Limburg, aanwezig zijn, door den Staat zal geschieden.

De mijnen die naar aanleiding van deze beslissing successievelijk ontgonnen zullen worden, zullen bij Koninklijk Besluit worden aangewezen, na den Raad van State te hebben gehoord. Door deze aanwijzing verkrijgt de Staat de eigendom van de mijn, als ware ze bij concessie verleend, overeenkomstig de Mijnwet van 21 April 1810.

Artikel 2 geeft de grenzen aan van de hier boven bedoelde terreinen.

Artikel 3 zegt, dat schadevergoedingen zullen worden toegestaan voor die uitgevoerde boringen, welke de aanwezigheid van steenkool-lagen, binnen deze terreinen, hebben aangetoond; deze schadevergoedingen zullen door de schatkist worden betaald, tot een bedrag overeenkomende met dat der kosten aan zulke boringen in het algemeen verbonden.

Artikel 4 geeft aan, op welke wijze belanghebbenden hunne rechten kunnen doen gelden.

De artikelen 5 en 6 regelen de schadevergoeding die de Staat aan de eigenaren van de oppervlakte zal hebben te betalen, alsmede de wijze hoe deze hunne aanspraken kunnen doen gelden.

In artikel 7 eindelijk wordt gezegd, dat de Mijnwet van 21 April 1810 van toepassing zal zijn op de dooiden Staat ontgonnen steenkoolmijnen, met uitzondering van de bepalingen betreffende de uitkeeringen aan de schatkist en betreffende de mijnpolitie, alsmede van die welke onderwerpen regelen, waarin bij deze Wet werd voorzien.

De inrichting van den mijndienst zou bij Koninklijk Besluit, den Raad van State gehoord, geregeld worden.

Sluiten