Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ontdekkers, opspoorders en grondeigenaars toekent. Uezo materie vormt het onderwerp van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wet van 1901.

De wetgever begint met aan de talrijke onderzoekers, die opsporingen in het werk hadden gesteld, en die in den loop daarvan steenkool-beddingen hadden ontdekt, de kwaliteit van „inventeur" van de mijn te ontzeggen. Men zal met belangstelling in de documenten, welke de Annales des Mines de Belgique, deel VIII, publiceert, de overwegingen lezen, die de Regeering deze houding deed aannemen tegenover de onderzoekers, die tevens aanvragers om concessie waren; men zal er ook de reclames in lezen, geuit namens de particuliere belangen, die door deze regeling benadeeld werden. Deze reclames vonden weerklank in de Tweede Kamer. Bij wijze van transactie en met de bedoeling, om de Regeering het verwijt te besparen, van de particuliere belangen op te offeren aan die van den Staat, stelde de Heer de Savoenin Lohman, bij wijze van amendement, voor, om de artikelen 3 en 5 van de Wet zoodanig te wijzigen, dat zij, die op eene schadevergoeding aanspraak meenden te kunnen maken, gebaseerd op artikel 16 van de Mijnwet, zich zouden kunnen wenden tot de rechtbank.

Dit amendement, hetwelk aan de Regeering de bevoegdheid ontnam, die hem door artikel -4 werd gegeven, om het bedrag van de schadevergoeding, aan de opspoorders te betalen, vast te stellen, ofschoon ze dan rechter in eigen zaak zou wezen, zou de gelegenheid geopend hebben voor hen, die konden aantoonen de kwaliteit van „inventeur" van de mijn te bezitten, om de schadevergoeding te erlangen, die artikel 16 ten hunnen behoeve voorschrijft, in het geval dat hun de concessie niet wordt toegewezen.

Dit amendement werd nochtans verworpen, omdat het voor de belanghebbenden minder voordeelig scheen dan artikel 3 en omdat dan alleen de „inventeurs", volgens de

Sluiten