Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8". Eene schadevergoeding voor die aangelegde werken die, ofschoon nutteloos voor de ontdekking, toch van nut kunnen zijn voor de ontginning. J)

Terwijl de eerstbedoelde schadevergoeding, volgens art. 16, door de Regeering moet worden vastgesteld, wanneer ze bij de akte van concessie den mijneigendom instelt, is do regeling van de beide laatste schadevergoedingen, sedert de Grondwet van 24 April 1815, aan de rechtbanken opgedragen.

Toen de Nederlandsche Regeering weigerde, aan hen die de steenkool hadden ontdekt, de kwaliteit van „inventeur" toe te kennen en het daarop betrekking hebbende recht van schadevergoeding, hetwelk, volgens de bedoeling van artikel 16, de prijs zijner ontdekking vormt, handelde zij geheel binnen de grenzen van de bevoegdheid tot waardeeren, die in dit opzicht in hoogste instantie aan de uitvoerende macht is toegekend.

Wij willen hierbij buitendien opmerken, dat deze sj^eciaal tot het mijnrecht behoorende schadevergoeding en die, in het régime van de Wet van 1810, als eene huldiging van het stelsel van occupatie schijnt te moeten worden opgevat, slechts in zeldzame gevallen verleend is geworden, hetzij omdat de Regeeringen meestal aan den ontdekker de concessie van de mijn toekenden, of ook, omdat zij aan hem,

1) Zie Bury, 2, p.p. 48 en 49.

Art. 16 is in België ingetrokken door de Wet van 2 Mei 1837, art. 46 door de Belgische Constitutie van 1830.

Art. 16 En cas que 1'inventenr n'obtienne pas la concession

d'une mine, il aura droit a une indemnité de la part du concessionnaire; elle sera réglée par 1'acte de concession.

Art. 46. Toutes les questions d'indemnité a payer par les propriétaires de mines, a raison des recherches aux travaux antérieurs a 1'acte de concession, seront décidées conformément a 1'article 4 de la loi du 28 pluviöse an VIII.

Sluiten