Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor, aan den anderen kant, tocli ook het wantrouwen versterkt, dat de Regeering in den ondernemings-geest van het eigen volk stelde, wat betreft deze soort industrie, doordien ze zag, dat de bestaande maatschappijen grootendeels door vreemden waren tot stand gebracht. ')

1) Ook hier toont de schrijver weder zich niet voldoende in Nederlandsche toestanden te knnnen verplaatsen. Zeker, bij eenigen moge de aanleiding, om zich vóór het denkbeeld van Staats-exploitatie te verklaren, gezocht worden in het streven tot het weren van kapitaal en kennis uit den vreemde, waartoe men elders toch zijn uiterste best doet om ze voor het land te winnen, omdat het, wel bezien, slechts voordeel kan aanbrengen, wanneer vreemden het groote risico willen loopen aan dergelijke ondernemingen verbonden en de eigen bevolking, direct en indirect, dan slechts voordeel daaruit kan trekken; terwijl deze overweging buitendien ook een van de hoofdbeginselen van de bij ons vigeerende Mijnwet van 1810 vormt.

Maar van meerder invloed op het nemen van het besluit tot Staatsexploitatie is zonder twijfel geweest, die zoo dikwerf geuite phrase: „De schatten van den ondergrond behooren aan de gemeenschap!" woorden die telkens geuit worden door personen, welke nog nooit eene mijn zagen, die niets van de oeconomie van den mijnbouw afweten en zich nooit zelfs de moeite gaven om maar eenigszins op de hoogte te komen van het onderwerp; personen, die niet het minste begrip er van hebben, dat van alle industrieën juist de mijnbouw die is, welke het minst geschikt is om door den Staat te worden uitgeoefend. Dat woord onderaardsche schatten is voldoende om hun het hoofd op hol te brengen en hun denkvermogen te benevelen. Ze zijn niet in staat zich voor te stellen, dat schier uitsluitend het in deze ondernemingen gestoken kapitaal en de bekwaamheid, het organiseerend talent van de directie, het succes er van kan waarborgen en dat juist omdat dit zoo dikwerf ontbreekt ook zooveel mislukkingen te constateeren zijn. Ze zien niet in dat we, met de groote kapitalen die noodig zullen zijn, om op voldoende schaal door den Staat de ontwikkeling van de mijn-industrie te doen plaats hebben, het tegenwoordig geslacht belasten, ten koste van nog problematieke voordeelen ten gunste van het nageslacht; voordeelen die, wanneer ze werkelijk te behalen zijn, aan ons nageslacht in veel grootere mate deelachtig zullen worden, wanneer de delfstoffen al dadelijk ter ontginning worden overgelaten aan de particuliere industrie.

Sluiten