is toegevoegd aan uw favorieten.

Grondwetschennis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook deze regeling is geheel in strijd èn met artikel 626 B. W. èn met de Mijnwet van 1810. Ze ontneemt den grondeigenaren in de aangegeven streek een belangrijk deel hunner rechten, het opsporingsrecht n. 1.; een recht, dat in delfstof bevattende streken zóó belangrijk te achten is, dat de waarde er van dikwerf kan gerekend worden veel hooger te zijn, dan het recht om over de oppervlakte, voor landbouw-doeleinden, te mogen beschikken. Ofschoon het oppervlakkig schijnt, dat slechts voor een tijdperk van zes jaren den grondeigenaar deze eigendomsbeperking wordt opgelegd, zoo zijn de consequenties van het door den Staat beoogde opsporen toch van dien aard, dat deze beperking gelijk staat met de ontzetting uit dat recht. Het den grondeigenaar, volgens art. 626 B. W., toekomende opsporingsrecht, dat ook door de Mijnwet van 1810 geëerbiedigd wordt '), is een zakelijk recht, omdat het deel uitmaakt van het eigendomsrecht op den grond. De Wet, die den grondeigenaar dat recht ontnam, zonder acht te slaan op het bepaalde bij artikel 151 van de Grondwet, zou dus in strijd handelen met dat artikel en om die reden alleen reeds niet de goedkeuring van de Volksvertegenwoordiging kunnen erlangen.

De overweging waarop dit Wetsontwerp berust is: dat het wenschelijk is van Staatsivege in Nederland delfstoffen op te sporen.

Wat wij echter niet aangegeven vinden, noch in het Ontwerp, noch in de Memorie van Toelichting, is de rechtsgrond waarop het Wetsontwerp berust. En toch ware het van de uiterste noodzakelijkheid geweest, dat men zich dien rechtstoestand duidelijk had gemaakt, alvorens het Ontwerp op te stellen. Gesteld de overweging ware juist en vond algemeen bijval, dat de Staat delfstoffen moet

1) Art. 12 van de Mijnwet van 181(1.