Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„den Staat of aan particulieren, en indien aan delaatsten, „tot welke hoeveelheden, de beschikking daarover behoort „gegeven te worden."

Bij dezen laatsten volzin blijkt zoo recht duidelijk, hoe hier op nieuw hetzelfde verschijnsel te constateeren valt, waarop ik reeds zoo dikwerf heb moeten wijzen bij de beoordeeling van door onze Regeering, zoowel voor Indië als voor Nederland, ontworpen mijnwetten, n 1. dat men zich vooraf geen duidelijk denkbeeld heeft gevormd van den toestand en hoe in dergelijke omstandigheden gehandeld diende te worden. De politiek, door de Regeering tegenover de mijnbouw-industrie in acht te nemen, wordt toch in de eerste plaats beheerscht door de verplichting om ten dien opzichte reeds bestaande wetten en regelingen in acht tenemen en slechts aan de onvoldoende kennis dier voorschriften, in dit geval de Mijnwet van 1810, moet het dan ook toegeschreven worden, dat men in de nieuwheid der zich voordoende omstandigheden en niet voldoende den toestand overziende, gedacht heeft: laat ons nog maar wat wachten en intusschen trachten de delfstof-afzettingen eerst nader te leeren kennen, alsof de te volgen politiek afhing van den geologischen toestand van het steenkool-bekken en niet beheerscht werd door nu reeds vast staande overwegingen van juridischen en oeconomischen aard.

Alleen wanneer men de mijnwet van 1810 en artikel 626 B. W. geheel weg cijfert zou men de in de Memorie van Toelichting geleverde redeneering kunnen handhaven.

Bevreemding moet zonder twijfel de geheimzinnigheid wekken, waarmede van de zijde der Regeering te werk is gegaan door de rapporten, waarop zij hare gedragslijn baseert, niet eerst bekend te maken, ten einde zoodoende het algemeen volledig in te lichten en in de gelegenheid te stellen zich een juist oordeel te vormen omtrent de motieven, die tot het voorstellen van zóó diep in de rechten van de grondeigenaars ingrijpende maatregelen

Sluiten