Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delfstoffen, tot op het oogenblik harer ontdekking, een bestanddeel vormen van den grond. De eigenaar van den grond heeft ten allen tijde het recht om ze op te sporen en daartoe in zijnen grond, zonder voorafgaande formaliteiten te vervullen, opsporingswerkzaamheden te verrichten. Eerst bij hare ontdekking wordt een nieuwe toestand geboren. De ontdekte delfstof wordt nu als heerlooze zaak ]) aangezien en de Eegeering zal, met eerbiediging

1) Napoleon, dien men den Vader dezer Wet kan noemen, omdat hij persoonlijk in den Staatsraad de beginselen aangaf waarop ze moest rusten, zeide in dit opzicht: „On doit regarder les mines „comme des choses qui ne sont pas encore nées, qui n'existent qu'au „ mom ent oü elles sont purgées de la propriété de la surface et qui „a ce moment même deviennent des propriétés par 1'effet de la con„cession.... Avant la concession les mines ne sont pas des propriétés, „mais des biens."

Aguillon zegt in zijn werk Lêgislation des Mines frangaise et êtrangère, deel 1, p. 186: „Sous réserve de ce qui concerne ce droit, il faut „<hre que la base de notre lêgislation est la séparation originaire, en „droit, de la mine et de la surface et que la mine, en outre, doit, „avant concession, être considérée comme une res nullius."

Ik ben dit met dezen schrijver niet geheel eens. De afscheiding heeft eerst plaats tengevolge van de ontdekking der delfstofafzetting. Die afscheiding wordt niet geacht van den aanvang aan te bestaan, zooals b.v. bij de Pruisische Mijnwet wel het geval is en in navolging daarvan, bij onze Nederlandsch-Indische Mijnwet. In artikel 1 wordt hier die afscheiding al dadelijk uitgesproken in de volgende bewoordingen: „Over de navolgende delfstoffen mag in Nederlandsch-Indië „de rechthebbende op den grond niet beschikken," enz.

Volgens het in de Mijnwet van 1810 tot uitdrukking gekomen Fransche mijnrecht echter vormt dat gedeelte van den ondergrond, hetwelk door de betreffende, in artikel 2 genoemde, delfstofafzetting wordt ingenomen, oorspronkelijk één geheel met den bovengrond en zulks om in overeenstemming te blijven met het beginsel van art. 552 C. c. Eerst de tengevolge van de opsporing plaats gehad hebbende ontdekking brengt in dien toestand verandering. Dan eerst wordt de ontdekte delfstofafzetting als res nullius beschouwd en zal de Regeering, met in acht name van de rechten van den grondeigenaar

Sluiten