Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden. Men kan slechts dat voor zich behouden wat men reeds bezit. En rechtens heeft de Staat het recht van exploratie niet, tenzij op domein-grond. Alleen dan zou de Staat het recht van exploratie bezitten, wanneer hem dit bij eene algemeene Wet was toegekend of wanneer men dit kon afleiden uit het feit, dat de, of eene zekere categorie van, delfstoffen Staatseigendom zijn. Dat noch het een noch het ander hier plaats heeft, heb ik bereids aangetoond. Wil de Staat exploreeren, dan kan hij dat, krachtens art. 626 B. W. en art. 12 van de Mijnwet van 1810, op tot het domein behoorende gronden, zonder hiertoe aan voorafgaande formaliteiten gebonden te zijn. Op andere gronden echter kan de Staat, qua privaat-persoon, dit alleen doen met toestemming van den grondeigenaar of anders, even als elk ander privaat-persoon, onder vervulling van de bij de Mijnwet aangegeven formaliteiten, dat wil dus zeggen, op grond van eene overeenkomstig art. 10 van de Mijnwet van 1810, door het domein aangevraagde en hieraan verleende autorisatie van de Regeering.

De wijze waarop dit Wets-ontwerp door de Tweede Kamer aangenomen werd, doet het vermoeden ontstaan, dat vele andere leden de foutieve opvatting van den Heer de S. L. deelden.

Zooals ik reeds hiervoren aantoonde, gaat de Mijnwet van 1810 uit van het beginsel, om liet den grondeigenaren uitdrukkelijk, bij art. 626 B. W., toegekende recht van opsporing zooveel maar mogelijk te eerbiedigen. Ze wil dit den grondeigenaren toekomende recht eerbiedigen, voor zoover zulks maar in overeenstemming te brengen is met het hoofdbeginsel van die Wet, n.1. om de ontginningen zooveel mogelijk te vermenigvuldigen, wat weder alleen kan geschieden, wanneer er zooveel mogelijk opsporingen worden verricht. Dit laatste is hoofddoel en met het oog op dit beginsel bepaalt art. 10, dat de Regeering aan anderen de

Sluiten