is toegevoegd aan uw favorieten.

Grondwetschennis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aanmoediging van de mijnbouw-industrie in het algemeen in ons land, dan zou ik zoodanige pogingen zelfs zeer wenschen aau te prijzen. In dit opzicht hebben de opvolgende Regeeringen tot heden te weinig nog gedaan voor ons land, oneindig minder zelfs, dan hetgeen voor Indië in dit opzicht gedaan werd. Maar de Staat doe dit dan ook geheel op de wijze zooals de Heer S. B., die men nu eenmaal citeerde, moet hebben bedoeld, geheel op de wijze zooals in Pruisen zoo'n onderzoek van Staatswege zou geschieden, n.1. met inachtname van de voorschriften van de Pruisische Mijnwet. De Staat doe dit niet, zooals nu wordt voorgesteld, met verzaking van onze bestaande wetten en met de uitgesproken bedoeling, om de particuliere industrie te weren. De Staat doe dit vooral niet met schending van het den grondeigenaren toekomende opsporingsrecht.

Ook het beginsel van het opsporen van enkele delfstoffen, hier steen- en bruinkool, steen en kali-zout, te verbieden is rechtens niet te verdedigen, ofschoon de Memorie van Toelichting beweert, dat het voorgestelde niet in strijd zou wezen met de grondbeginselen van de Mijnwet van 1810. Nergens staat daar, dat men voor het doen van opsporingen vergunning heeft te vragen van de Regeering en nog minder dus dat men dit moet doen voor speciale delfstoffen.

Dat zou ook niet in overeenstemming wezen met de beginselen van het Mijnrecht. Wanneer b. v. in onze Indische Mijnwet van Regeeringswege vergunning wordt verleend tot het doen van opsporingen, dan wordt die vergunning in het algemeen gegeven en niet voor het zoeken naar speciale delfstoffen. Ook uit een technisch oogpunt ware het niet te verdedigen, dat de Regeering de bevoegdheid had om het doen van opsporingen naar speciale delfstoffen te vergunnen of te verbieden, want de wijze van opsporing regelt zich wel naar de wijze van afzetting in de natuur, naar het geologische voorkomen, maar niet naar den aard van