Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inzien, dat de schatten, die door de ontwikkeling van de mijnbouwindustrie voor een land gewonnen kunnen worden, alleen het gevolg zijn van oordeelkundige plaatsing en beheer van het in die industrie gestoken kapitaal en dat de groote zegeningen, die de mijnbouw, deze vader aller overige industrieën, verspreidt, voortspruiten uit de groote indirecte voordeelen, die hij afwerpt, door het mogelijk maken en doen ontstaan van allerlei andere industrieën, door het werk, hetwelk hij aan de bevolking verschaft en het loon dat hij laat verdienen, door het goedkooper maken van den prijs van het gedolven mineraal, door het doen stijgen van de belastingen en de inkomende rechten, enz. enz.

Maar zijn de indirecte voordeelen, die deze industrie afwerpt, over het algemeen, grooter dan bij eenige andere industrie, zoo schijnt het toch, dat de directe winst, ten voordeele van het daarin gestoken kapitaal, bij deze industrie, over het geheel genomen, minder bedraagt dan bij het meerendeel der anderen. En door cijfers heeft men dit, lang geleden, reeds aangetoond.

In mijne, in 1878 te Batavia verschenen, beoordeeling deiIndische Mijnverordeningen, drukte ik een lijstje af, waarin professor Laspeijres te Giessen, over een tijdruimte van 15 jaren, de jaarlijksche dividenden van 770 Oostenrijksche en Zwitsersche actie-maatschappijen geeft. Ik wil dat lijstje hier op nieuw afdrukken, om te doen zien, dat waarlijk de mijnbouw-ondernemingen daarbij niet de winstgevendste zijn.

Sluiten