Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een equivalent voor de niet verleende concessie. Ze is niet, zooals de vorige Minister van Waterstaat meende en zooals de tegenwoordige Minister nu herhaalt, eene schadevergoeding voor gemaakte kosten.

Deze laatste soort van schadevergoeding, die men in Frankrijk Vindemnité ponr canse de recherches noemt, wordt den ontdekker, die de concessie erlangd heeft, volgens art. 46 van de wet van 1810, buitendien toegekend.

Omtrent de beteekenis van deze, bij artikel 46 bedoelde, schadevergoeding zegt Aguillon: „Eene volkomen gevestigde „jurisprudentie, omdat ze op ten minste 19 door den Raad „van State gevelde uitspraken berust, leert ons, dat de „concessionaris aan den opspoorder, aan wien de concessie „niet werd toegewezen, deze schadevergoeding verschuldigd „is voor alle verrichte opsporingswerken die den concessionaris van nut zijn geweest, onverschillig of deze nuttigheid van directen of indirecten aard was, dat wil dus „zeggen, voor alle door den opspoorder aangelegde werken „die door den concessionaris verder benut kunnen worden „ten behoeve zijner onderneming, of voor de voortzetting „zijner werkzaamheden, of die ook, zonder direct voordeel „verder op te leveren, toch nuttige aanwijzingen hebben „verschaft voor de kennis van de delfstofafzetting, zooals „b. v. in het werk gestelde boringen."

De Minister schijnt van oordeel te zijn, dat de Mijnwet van 1810 aan de Regeering volkomen vrijheid geeft om naar goeddunken te handelen bij het verleenen van concessies.

Die meening zou niet juist zijn.

Artikel 16 van de Mijnwet van 1810 geeft aan de Regeering alleen de bevoegdheid om de voorkeur tusschen de verschillende aanvragers om concessie vast te stellen; het geeft haar niet de bevoegdheid, om volkomen naar goeddunken te handelen en b.v. de concessie te verleenen aan eenen niet-aanvrager, of iemand die geene aanspraken hoegenaamd zou kunnen doen gelden. Het verleenen van concessie is

Sluiten