Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE I.

No. 1751.

Betreffende meerdere vrijheid in de uitoefening der geneeskunst.

Bericht op renvooi van 10 October 1913 No, 8697, afd. V. A. 4 en 5 Mei, 4 en 7 Dec. 1915 Nos. 6340, 6202, 14532 en 14677, afdeeling v. A.

CENTRALE GEZONDHEIDSRAAD.

Utrecht, 23 December 1916.

In het bij kantbescnikking van, 10 October 1913, N°. 8697, afd. V. A. om bericht en naad in handen van den Centtralen Gezondheidsraad gesteld© adres, door de Heeren Mr. S. van Houten, Jhr. Mr. E,. O. van Holthe tot Echten en Mr. J. A. van Hamel tot H. M. de Koningin gericht, betreffende de in margine genoemde aangelegenheid, verzoeken adressanten „eene wijziging van de betrokken wettelijke bepalingen tot stand te willen brengen, die, naar de in dit verzoekschrift omschreven wijze, meerdere vrijheid in de uitoefening van geneeskunst, onder bepaalde waarborgen, tot stand brengt", welke gewenschte wijziging zij nog nader omschrijven waar zij zeggen: ,

„Wat theoretisch en praktisch .......... van

overheidswege noodig ïs, is dit:

1. de menschheid vrij te laten behandeling te zoeken daar, waar zij zulks wenscht en leniging of genezing van kwalen meent te zullen vinden;

2. te waken tegen misleiding, misbruik van vertrouwen^ aannemen van valsche titels, speculatie op de onwetendheid van het publiek j

3. strafvervolging van onverantwoordelijke „kunstfoutem" en benadeeling van lijf of gezondheid van anderen, door onbekwaamheid en onvoorzichtigheid, in beginsel gelijkelijk ■•voor artsen en niet-artsen;

4. zorg voor behoorlijke deskundige opleiding en examineering voor bepaalde beroepen (arts, tandarts, vroedvrouw, e.a.)".

Het door adressanten met hun verzoek aanhangig gemaakte vraagstuk is zeer veelzijdig en niet alle overwegingen, die daarbij moeten gelden, liggen binnen het terrein, waarop de Centrale Gezondheidsraad tot oordeelen bevoegd is. De Raad heeft dan ook gemeend, zich in zijn advies te moeten bepalen tot hetgeen meer in het bijzonder de belangen der volksgezondheid betreft.

Na uitvoerige voorbereiding door eene Commissie uit zijn midden, die adressanten en tal van andere personen, ook uit den kring der onbevoegde uitoefenaren der geneeskunst, heeft meenen te moeten hooren als deskundigen, heeft de Eaad in zijne vergaderingen zelf ook de heeren van Houten, van Holthe tot Echten en van Hamel gehoord.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken.

Sluiten