is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de Staatscommissie benoemd bij K. B. van 31 juli 1917 aan welke is opgedragen te onderzoeken, hoe de wettelijke bepalingen betr. de uitoefening van de geneeskunst zouden moeten luiden, indien de bevoegdheid tot het uitoefenen v. d. kunst niet meer afhankelijk werd gesteld v. h. getuigschrift van met goed gevolg afgelegd artsexamen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij zullen, ter uitsluiting van hunne burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid wegens de gevolgen van den door hen verleenden raad of bijstand, geen beroep kunnen doen gelden op gemis of onvolledig bezit van de volgens de wet van geneeskundigen gevorderde kennis of bekwaamheden, voor zoover zij redelijkerwijze zich ervan hadden moeten onthouden raad of bijstand te verleenen of bij het verleenen daarvan behoorlijke maatregelen hadden moeten nemen teneinde in genoemd gemis of onvolledig bezit te voorzien.

Artikel VII.

In alle wettelijke bepalingen, waarbij aan het zijn van geneeskundige eenige bevoegdheid wordt verbonden, wordt onder „geneeskundige" verstaan hij, aan wien de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang volgens de wet toekomt, en hij, aan wien tot die uitoefening bijzondere vergunning is verleend.

Artikel VILT.

'In art. 436 Wetboek van Strafrecht wordt na het tweede lid als derde lid ingevoegd:

„Hij, die buiten noodzaak eene tot de uitoefening van eenig beroep behoorende handeling verricht, waartoe de bevoegdheid slechts toekomt "aan dengene, die tot de uit oefening van dat beroep in haren geheelen omvang is toegelaten, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden."

In het laatste lid van het artikel worden de woorden „van het tweede lid" vervangen door „van het tweede en derde,lid".

Artikel IX.

In de artt. 8, tweede lid, en 12, eerste lid, der Wet van 1 Juni 1865, Stbl. 61, regelende de uitoefening der Artsenijbereidkunst, wordt het woord „geneeskundige" vervangen door: „hem".

Artikel X.

In art. 16 van de Wet van 27 April 1884, ,Stbl. 96, tot regeling van het staatstoezicht op krankzinnigen, worden de woorden „van iemand, bevoegd om hier te lande de geneeskunst uit te oefenen en die niet aan dat gesticht verbonden is", vervangen door: „van een niet aan dat gesticht verbonden geneeskundige".