Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

borgen tegenover de meerdere vrijheid noodig zijn, niet in eenig verband.

De personen, bij de wet tot de uitoefening der geneeskunst in haren, geheelen omvang bevoegd verklaard, zullen in de wet voortaan worden aangeduid als „geneeskundigen"; hiermede wordt tevens eene wettelijke definitie gegeven van de tot dusver weinig vaststaande beteekenis van dezen term. Ook zij, wien volgens art. 2 der wet de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in den geheelen omvang wordt gegeven, worden onder deze benaming begrepen. Onder „geneeskundigen" zullen dus voortaan zijn te verstaan: 1. de artsen; 2. de zooeven genoemde personen, wier bevoegdheid op art. 2 der wet steunt; 3. alle andere personen, wien eventueel door eene wettelijke bepaling de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang zal worden toegekend. Tandartsen en vroedvrouwen behooren daartoe voorhands dus niet.

De zoo juist besproken verbodsbepaling tegen uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang door anderen dan de wettelijk daartoe bevoegd verklaarden, vormt de eerste waarborg tegen de gevaren, welke bij vrije uitoefening der geneeskunst kunnen te duchten zijn.

Als tweede waarborg daartegen wordt in de wet opgenomen eene opsomming van medische verrichtingen, welke het, \hetzij wegens de bijzondere mate van wetenschappelijk inzicht of technische bekwaamheid, die zij vereischen, hetzij wegens de ernstige gevolgen die zij voor de gezondheid van den patiënt kunnen hebben, hetzij om sociale redenen (behandeling van geslachtsziekten), wenschelijk voorkwam niet zonder meer aan een ieder vrij te laten, en welke daarom aan den niet-geneeskundige worden verboden, voor zoover hij daartoe niet door eene wettelijke bepaling wordt bevoegd verklaard.

Hierop doelt het aan art. 1 der wet toe te voegen 2de lid: „Aan anderen is de uitoefening slechts geoorloofd met inachtneming van de grenzen, door de wet gesteld."

Een derde waarborg is gezocht in het, voor de uitoefening der geneeskunst op het vrije terrein door •ongediplomeerden, stellen van een aantal gebods- en verbodsbepalingen, welke ten deele nieuwe voorschriften inhouden, ten deele normen, reeds in de wet voor de „geneeskundigen" gesteld, uitbreiden tot de nietgeneeskundigen.

Als vierde waarborg wordt in de wet opgenomen eene administratieve controle op de uitoefening der geneeskunst door ongediplomeerden, speciaal ook wat betreft behandeling van jeugdige personen. ,

Een vijfde waarborg ten laatste bestaat in eene bepaling, waarin aan deze personen bij voorbaat wordt ontnomen een eventueel beroep op gemis of onvoldoend bezit van medische kennis of bekwaamheden/!

Ten slotte wordt een aantal bepalingen voorgesteld, ten doel hebbende in die artikelen der wet van 1865 -en die andere wettelijke bepalingen, waarin termen als „geneeskundige" en „uitoefening van geneeskunst" voorkomen, de veranderingen aan te brengen, vereischt door de wijziging in de categorie van personen, voortaan door eerstgemelde benaming aangeduid en het verschil in bevoegdheid t. a. v. de uitoefening der geneeskunst hetwelk uit het stelsel van het ontwerp zal voortvloeien.

§ 4. Invloed van het wetsvoorstel op de uitoefening van de tandheelkunst en de tandprothese en van andere vrije beroepen.

De wijziging iri het stelsel der wet, waardoor niet meer voor geneeskundigen raad en bijstand in het algemeen, maar slechts voor den in artikel 17a genoemden wettelijke bevoegdverklaring vereischt wordt, heeft voor allen, aan wie bij de wet eene beperkte bevoegdheid toegekend wordt,

Sluiten