Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ondergeteekenden voor speciale voorschriften naast het algemeene. Daarbij zijn zij van meening, dat die handelingen, welke allermeest voor strafbaarheid in aanmerking moeten komen, onder de geldende bepalingen kunnen worden gebracht. Dusdanige handelingen zijn o.a. het zich valschelijk voordoen als gediplomeerd geneeskundige, het om geldelijk voordeel door onware voorstellingen of bedriegelijke handelingen bij het redelijk denkend publiek den indruk vestigen van de waarschijnlijkheid van gunstiger genezingsresultaten dan men te goeder trouw in uitzicht stellen mag, het om geldelijk voordeel een bepaalden patiënt door onware voorstellingen of bedriegelijke handelingen bewegen zijn vertrouwen te geven, zich in behandeling te stellen, of in behandeling te blijven. Heeft het aannemen van de valsche hoedanigheid van gediplomeerd geneeskundige, het gebruiken van een bedriegelijken kunstgreep of van een samenweefsel van verdichtsels geleid tot het in art. 326 genoemde gevolg, dan zal dit artikel jtoepasselijk kunnen zijn. Van eene strafbepaling tegen andere handelingen, die nu naar de geldende wet straffeloos zouden blijven, is de behoefte niet gebleken.

§ 6. Toelichting tot de artikelen.

Artikel I. — Voor de toelichting der eerste in dit artikel vervatte wijziging wordt verwezen naar het dienaangaande gezegde in § 3, Hoofdinhoud van het ontwerp.

Ten aanzien van de eerste aan het le lid van artikel 1 der wet van 1865 toe te voegen zinsnede — voor welker toelichting mede wordt verwezen naar § 3 — is nog het volgende op te merken. De redenen, waarom de thans voorgesteld© benaming „geneeskundige" en niet die van „arts" is gekozen, zijn in de eerste plaats de noodzakelijkheid in het wij zigingsontwerp de terminologie te volgen van de te wijzigen wet zelve en in de tweede plaats de overweging, dat het begrip „arts" dat van „geneeskundige" niet dekt: de personen b'.v., genoemd in artikel 2 der wet, zijn wel „geneeskundigen", maar niet arts.

Het aan artikel 1 toe te voegen 2e lid doelt ep het z.g.n. „onvrije terrein", afgebakend in het nieuw in te voegen artikel 17a. .

Artikel II. — Er kan aanleiding bestaan aan de in het artikel genoemde personen wel niet de uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang toe te staan, doch hun te vergunnen enkele van de geneeskundige verrichtingen te doen, welke aan de personen, in de in te voegen § '2a bedoeld, niet geoorloofd zijn.

Artikel III. — Dit artikel beoogt de redactie der thans reeds in artikel 3 der wet neergelegde verbodsbepaling ih overeenstemming te brengen met het nieuwe stelsel. Het doel van de bepaling is: voorkoming van misleiding van het publiek; zij wordt daarvoor met de noodigê wijzigingen behouden.

Voor overtreding van deze bepaling is noodig dat de ongediplomeerde den schijn" aanneemt van een wettelijk diploma te bezitten.

Artikel IV. — De woorden „allen die geneeskunst uitoefenen" omvatten niet alleen de .geneeskundigen, doch voorts allen, die zonder bewijs van bevoegdheid raad en bijstand aan lijders verleenen, ook dan wanneer zij daarvan niet een bedrijf maken. Voor al deze personen zou dus het verbod van art. 9 gelden, d.w.z.: ieder, die wel eens geneeskundigen raad óf bijstand verleent, zou van het optreden, als apotheker uit'gesloten zijn, of omgekeerd ieder als apotheker gevestigd persoon zou zich van het verleenen van geneeskundigen raad of bijstand moeten onthouden. In dien omvang gaat het verbod van art. 9 te ver. Rationeel kan alleen zijn, dat de combinatie met het apothekersbedrijf uitgesloten blijft, behalve voor de

Sluiten