Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of uitbreidend© strafbepaling behoeft te worden gezocht. Het beginsel geldt toch evengoed voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, hetzij bij de tenuitvoerlegging der met den patiënt aangegane overeenkomst, hetzij krachtens de artt. 1401 v.v. B.W., als voor de strafrechtelijke. Vandaar het algemeen geredigeerde voorschrift van art. 17e lid 2. Naar dit voorschrift zal de niet-gediplomeerde zich, vóórdat hij een geval in behandeling neemt, er rekenschap van hebben te geven, of hij, niet beschikkende over de kennis van geneeskundigen, dit geval in behandeling mag nemen. Komt de rechter, tot de conclusie, dat de nietgediplomeerde zich redelijkerwijze had moeten onthouden of behoorlijke maatregelen had moeten nemen teneinde in zijn gemis of onvolledig bezit van medische kennis te voorzien, dan zal, indien door zijn optreden sprake kan zijn van burgerrechtelijke of strafrechtelijke verantwoordelijkheid, door hem geen beroep kunnen worden gedaan op gemis of onvolledig bezit van de volgens de wet van geneeskundigen gevorderde kennis of bekwaamheden. Zijne onwetendheid te aanzien van die regelen der geneeskunst sluit dan zijne schuld niet uit.

Artikel VII. — In tal van wetten gebruikt de wetgever den term „geneeskundige". Tot dusver heeft zich over de beteekenis van deze uitdrukking geen verschil geopenbaard. Nu'de wet. echter de vrijheid tot uitoefening der geneeskunst geeft aan hen, die daartoe niet een bewijs van bevoegdheid verkregen en deze van die uitoefening een bedrijf kunnen maken, zou het zeker mogelijk zijn dat men ook deze personen onder den term „geneeskundigen" zou willen begrijpen. Voor verschillende wetsbepalingen ware eene dergelijke ruime opvatting ook zeker rationeel en gewenscht. Stel, dat iemand, die zonder bewijs van bevoegdheid de geneeskunst als bedrijf uitoefent, zich schuldig maakt aan het misdrijf van afdrijving, dan is er zeker wel aanleiding de in art. 298 Wetboek van Strafrecht voor den geneeskundige geschreven bepaling ook op hem van toepassing te doen zijn. Eene andere' bepaling, waarbij eene ruime opvatting als de meer juiste mag worden beschouwd, is art. 15 van de Wet regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst. Daarentegen zijn er tal van bepalingen, waarbij slechts van eene beperkte beteekenis van den term .„geneeskundige" n.1.: volgens de thans geldende wet tot de uitoefening der geneeskunst bevoegde, sprake kan zijn. Dit zijn de bepalingen, waarbij aan de geneeskundigen als zoodanig bevoegdheden worden toegekend, aan hunne verklaringen waarde wordt toegekend voor het constateeren van een toestand van ziekte of soortgelijken toestand. Genoemd mogen worden uit de Wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst de artt. 13,21,122,28 en 29, art. 17 der Krankzinnigenwet en verschillende andere artikelen van die wet, artt. 2 en 4 Wet tot voorziening tegen besmettelijke ziekten, artt. 1 lid 4 en 4 lid 4 Begrafeniswet (Wet van 10 April 1869, Stbl. 65), artt. 4, 5, 7, 10, 11 en 14 Quarantainewet. (Wet van 28 Maart 1877, Stbl. 35). Voor alle deze bepalingen moet het vaststaan, dat met den term „geneeskundigen" slechts de zoodanigen worden aangeduid, die de geneeskunst in haar vollen omvang mogen uitoefenen, hetzij krachtens art. 1, hetzij volgens art. 2 der Wet van 1865. Dit wordt neergelegd in het voorgestelde artikel. Daaruit mag dan tevens worden afgeleid, dat voor andere bepalingen, waarvoor dit artikel niet zal gelden, aan den term „geneeskundige" eene ruimere beteekenis mag worden toegekend en daaronder mogen worden begrepen allen, die de geneeskunst als bedrijf uitoefenen, onverschillig of zij dit doen krachtens door hen verkregen bewijs van bevoegdheid of zonder zoodanig bewijls.

Artikel. VIII. — Zij, die zonder bewijs van bevoegdheid de geneeskunst uitoefenen en daarbij niet in acht nemen de hun bij art. 17a (nieuw) gestelde grenzen, vallen niet in de bepaling van art. 436 Wetboek van Strafrecht, zijnde

Sluiten