Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat! Je hebt nog slecht gereden. Volstrekt niet!"

,,Ik heb geen vijf kopeken terug."

„Dan moet ge het geld maar bij den bakker hier gaan wisselen."

Hij gaat; laat zijn rijtuig staan, maar komt terug met de boodschap dat de bakker het wisselen weigert. Het vrouwtje laat haar pjatatschok in den steek, doch niet zonder nogmaals haar ongenoegen te kennen hebben gegeven over „die lomperds van isivosclitscliiks, die nooit klein geld bij zich hebben."

Daar stond hij weder te wachten, thans aan een geheel ander eind der stad. Dertig kopeken had hij nog maar ; het was ver van het vereischte bedrag. Na eenigen tijd komt er eene dienstmeid om hem aan te nemen. Als bagage heeft zij eenen grooten koffer, twee pakken met linnengoed, eene vogelkooi, eenen jongen hond in eene mand, en eene parapluie. Zij biedt hem voor de vracht van dit alles en van haar zelf i5 kopeken en noemt de plaats van bestemming. Al ware deze ook nog zoo dicht bij, dit bod vindt Wanjka toch al te laag. Na zijne weigering echter ziende dat er een andere isivoschtschik komt aanrijden om hem concurrentie aan te doen, neemt hij het toch maar aan, en in de kleine droschke helpt hij zelf de verschillende goederen laden alsof voor het vervoer daarvan met roebels werd betaald. Als alles zoo goed mogelijk plaats heeft gevonden en Wanjka zelf genoodzaakt is zijne voeten over boord te laten hangen, omdat één der pakken is geplaatst op het plankje dat hem tot steun zijner voeten dient, neemt de meid plaats op den koffer en zóó gaat het voort door de straten der hoofdstad. Ditmaal is zijne klant vriendelijker. Zij neemt het hem niet kwalijk dat hij den weg niet weet; misschien bedenkt zij wel dat i 5 kopeken voor deze vracht haar niet het recht geeft veel noten op haren zang te hebben.

Het gaat sukkelende, maar men komt toch te bestemder plaatse aan. Hij moet weder behulpzaam zijn bij het afladen en wacht daarna weder op een vrachtje.

Sluiten